Bakje doen?
Ik zit in de Sint-Jan. Niet op zondag, maar op een vrijdagmorgen. Dat blijkt gemakkelijker.
De kerk is dezelfde. Natuurlijk is die dezelfde. Ik ken deze ruimte zo goed dat ik nauwelijks hoef rond te kijken om te weten wat er achter me, voor me en naast me is.
De laatste tijd krijg ik berichtjes van mensen uit deze kerk. Of we eens een bakje zullen doen. Even bijpraten. Mensen die ik al jaren ken, aardige mensen met goede bedoelingen.
En toch denk ik meestal: liever niet. De koffie is het probleem niet. Ik drink genoeg koffie.
Na de eerste mei is er veel gebeurd. Herma overleed. We namen afscheid en begroeven haar.
De weken daarvoor stonden vooral in het teken van zorgen en regelen. Het zorgen hield op, het regelen gaat nog altijd door. Ook als iemand er niet meer is.
Tegelijk begon mijn eigen herstel. Gesprekken, hulpverlening, budgetbeheer, schuldeisers en instanties. Vooral die laatste kunnen me moedeloos maken. Ik kan lezen en schrijven, ken de weg een beetje en heb zelfs ervaring aan de andere kant van het bureau. En soms verzuip ik er in.
Ik begrijp steeds beter waarom het zoveel mensen niet lukt hun leven op orde te krijgen. Hoe moet dat als je minder mondig bent, niemand hebt die even meekijkt of al jaren van loket naar loket wordt gestuurd? Vanuit deze kerk hield ik me jarenlang bezig met mensen aan de rand van de samenleving. Inmiddels weet ik dat je daar sneller terechtkomt dan je denkt.
Misschien maakt dat sommige ontmoetingen ingewikkeld. Niet omdat de ander iets verkeerd doet. Maar de afstand tot levens waarin de dingen min of meer op hun plek lijken te liggen, voelt groter dan vroeger. Een kop koffie overbrugt dat niet zomaar.
Bij sommige uitnodigingen komt op voorhand al de toezegging: ‘We hoeven het er niet over te hebben.’ Dat maakt het bijna nog gekker. Dan zit er een levensgrote olifant naast het biskwietje waar we het vooral niet over gaan hebben.
En dan is er schaamte. Ook die zit mee aan tafel. Schaamte om wat er gebeurd is en om wat ik zelf heb aangericht. Je kunt er weinig mee en verstoppen lukt ook niet echt. Mijn vijgenboom heeft niet genoeg blad.
Met een paar mensen dichtbij is dat anders. Die kennen vanaf het begin het verhaal. Zij waren er in de rauwheid van de afgelopen maanden. Niet om vooral de lichte kant van mij terug te vinden en die te bevestigen. Ze schrokken ook niet weg toen er een donkere kant zichtbaar werd. Misschien maakt juist dat het verschil. Ik hoef bij hen niet eerst weer degene te worden die ik was. En hoeft het er ook niet steeds over te gaan. Omdat het weten er is.
Op zondag zoek ik soms een andere kerk op. Of ik blijf thuis en volg deze kerk digitaal. Dat is voor nu gemakkelijker.