zondag 8 maart 2026

Geen brug te ver

 De stad slaapt nog wanneer ik de deur van het Besiendershuis achter me dichttrek. De stenen zijn koud van de nacht. Aan de Waal hangt een mist die zo dik is dat de overkant niet bestaat. Alleen water, ademend en traag.

Ik loop langs de kade, de rivier volgend en kijken of hij ergens een antwoord heeft. Uit de mist groeit langzaam de Waalbrug. Eerst de pijlers, zwaar en stil als betonnen voeten. Daarboven de boog, een rug die zich uitstrekt over het water. Op een van de pijlers heeft iemand met grote letters geschreven dat vluchtelingen welkom zijn. De woorden hangen in de vochtige lucht, alsof ze nog niet weten waar ze moeten landen.

Dan hol ik een hoge steile trapbrug op en af en bevind me in de uiterwaarden die het begin van een polder vormen. Aan de rand van een strandje staat een klein tentje. De rits gaat open. Twee mannen kruipen naar buiten, hun bewegingen traag van de nacht. Rond het doek liggen lege flessen en een paar blikken. Ze praten met elkaar in een taal die ik niet meteen herken, maar ergens klinkt hij Pools. Hun stemmen schuren zacht door de mist.

Ik ren tussen paarden en koeien door die al vroeg genieten van het kruidenrijke gras dat tussen pollen riet en jong aanplant groeit. Soms glijden mijn nieuwe hardloopschoenen weg tussen slib en zand. Na een halfuurtje ren ik weer terug. De paarden staan nog op dezelfde plek. Eén koe schuurt traag tegen een ijzeren paal. 

Wanneer ik de stad weer binnenkom, begint het licht te worden. Langs de kade, voor het casino, staat een man gebogen over een prullenbak. Hij tilt het deksel op, kijkt erin, haalt er een blikje uit en stopt het in een plastic tas. Het rinkelt zacht tegen de anderen.

Even blijf ik staan en vraag ik me af waar hun verhalen begonnen zijn. De mannen in het tentje en de man met de tas. Op welk moment een leven afbuigt, een andere richting kiest, een pad dat steeds smaller wordt. Soms zo smal dat keren niet meer mogelijk is.

De Waal stroomt onverstoorbaar verder. De mist trekt langzaam op. De stad wordt wakker. Maar sommige verhalen blijven nog even in de ochtend hangen. Zoals adem in koude lucht.

donderdag 5 maart 2026

De winter is af


De winter is af.
Niet met een besluit
maar zoals sneeuw verdwijnt
zonder dat iemand het merkt.

Eerst het water
langs de rand van het pad.
Dan de lucht
die zachter ademt.

De bomen staan nog kaal
maar onder hun bast
werkt iets dat geduld heeft.

Knoppen,
kleine verzegelde brieven
aan het licht.

Een merel zet een zin in
en breekt hem weer af,
ook hij nog moet wennen
aan de ruimte in de ochtend.

Ik loop langs het veld
waar de grond donker ligt
als een bladzijde
die opnieuw begint.

De winter is af,
zeg ik tegen niemand.

En toch blijft er iets hangen
in de stilte tussen de takken,

alsof de kou
nog één keer
achterom kijkt.

Bijna af


We zeggen het steeds vaker.
Bijna af.

Alsof het een klusje is
waar nog een laatste schroef in moet.
Alsof er nog even geschuurd wordt
aan de rand van de dag.

De dokter praat in grafieken
en percentages
maar tussen zijn woorden door
staat het wachten.
Een stoel.
Een gang die nergens heen lijkt te gaan.

Soms denk ik
dat het leven zelf
ook zo’n wachtkamer is.

We zitten er samen.
Jij met je sjaal
die eigenlijk niet meer nodig is;
deze winter gaat niet over.

We lachen nog.
Om kleine dingen.
Een vogel op de vensterbank.
Een verpleegkundige
die per ongeluk ‘goedemorgen’ zegt
terwijl het al middag is.

Maar onder alles
ligt iets hards.
Zoals een steen
onder nat gras.

Bijna af, zeg ik dan.

Niet omdat ik het geloof.
Maar omdat woorden
soms een hand zijn
waar je je even aan vasthoudt
voordat je loslaat.

Helemaal af

 

Die ik het meest van allen ooit beminde
was niet de rode, zwarte of de blonde,
niet zij die zich naar mijn verlangen schikte,
niet lang of kort, niet rank en niet de ronde.

Al ging mijn hart soms uit naar warm en zacht,
naar eenzaamheid die troostend kon verblinden,
als jager bracht ik telkens weer mijn jacht
van kermis koud en arm naar huis, ontbonden.

Mijn grootste liefde, stom en dwaas genoeg,
is nooit gezegd, niet hardop uitgesproken.
Geen antwoord kwam, omdat ik haar niet vroeg:
zij is al lang in stilte weggekropen.

Hoeveel armen ik ook voelde branden,
benen die mij rond en vurig vingen,
handen door mijn dunner wordend haar,
ogen die aan mijn lippen hangen bleven.

Gezichten die op mijn schouders huilden,
buiken waar mijn hand rust vond en bleef,
al was ik het die telkens weer verruilde 
ze had gelijk in alles wat ze zei.

Maar nee, die ik tot in mijn wortels min,
is dood, gekist, onder zand gestopt.
Nu snap ik eindelijk de keus, de zin:
ik ga nu weg, en vreemd genoeg, het klopt.