donderdag 5 maart 2026

De winter is af


De winter is af.
Niet met een besluit
maar zoals sneeuw verdwijnt
zonder dat iemand het merkt.

Eerst het water
langs de rand van het pad.
Dan de lucht
die zachter ademt.

De bomen staan nog kaal
maar onder hun bast
werkt iets dat geduld heeft.

Knoppen,
kleine verzegelde brieven
aan het licht.

Een merel zet een zin in
en breekt hem weer af,
ook hij nog moet wennen
aan de ruimte in de ochtend.

Ik loop langs het veld
waar de grond donker ligt
als een bladzijde
die opnieuw begint.

De winter is af,
zeg ik tegen niemand.

En toch blijft er iets hangen
in de stilte tussen de takken,

alsof de kou
nog één keer
achterom kijkt.

Bijna af


We zeggen het steeds vaker.
Bijna af.

Alsof het een klusje is
waar nog een laatste schroef in moet.
Alsof er nog even geschuurd wordt
aan de rand van de dag.

De dokter praat in grafieken
en percentages
maar tussen zijn woorden door
staat het wachten.
Een stoel.
Een gang die nergens heen lijkt te gaan.

Soms denk ik
dat het leven zelf
ook zo’n wachtkamer is.

We zitten er samen.
Jij met je sjaal
die eigenlijk niet meer nodig is;
deze winter gaat niet over.

We lachen nog.
Om kleine dingen.
Een vogel op de vensterbank.
Een verpleegkundige
die per ongeluk ‘goedemorgen’ zegt
terwijl het al middag is.

Maar onder alles
ligt iets hards.
Zoals een steen
onder nat gras.

Bijna af, zeg ik dan.

Niet omdat ik het geloof.
Maar omdat woorden
soms een hand zijn
waar je je even aan vasthoudt
voordat je loslaat.

Helemaal af

 

Die ik het meest van allen ooit beminde
was niet de rode, zwarte of de blonde,
niet zij die zich naar mijn verlangen schikte,
niet lang of kort, niet rank en niet de ronde.

Al ging mijn hart soms uit naar warm en zacht,
naar eenzaamheid die troostend kon verblinden,
als jager bracht ik telkens weer mijn jacht
van kermis koud en arm naar huis, ontbonden.

Mijn grootste liefde, stom en dwaas genoeg,
is nooit gezegd, niet hardop uitgesproken.
Geen antwoord kwam, omdat ik haar niet vroeg:
zij is al lang in stilte weggekropen.

Hoeveel armen ik ook voelde branden,
benen die mij rond en vurig vingen,
handen door mijn dunner wordend haar,
ogen die aan mijn lippen hangen bleven.

Gezichten die op mijn schouders huilden,
buiken waar mijn hand rust vond en bleef,
al was ik het die telkens weer verruilde 
ze had gelijk in alles wat ze zei.

Maar nee, die ik tot in mijn wortels min,
is dood, gekist, onder zand gestopt.
Nu snap ik eindelijk de keus, de zin:
ik ga nu weg, en vreemd genoeg, het klopt.

woensdag 25 februari 2026

Het huis dat bleef

(Met dit verhaal de eerste prijs gewonnen van de Schrijfwedstrijd Besiendershuis 500 jaar. Zie ook https://besiendershuis.nl/nieuws/dit-zijn-de-winnende-teksten-van-de-schrijfwedstrijd/)


Jaar 2526

De stad was weggegaan zonder afscheid te nemen.
Niet in één nacht, niet met sirenes of rook, maar zoals water verdwijnt uit een kom waar een
barst in zit. Eerst de stemmen, daarna de stenen. De straten werden paden, de paden weer
aarde. Gras vond zijn weg tussen fundamenten, bomen wortelden in wat ooit kelders waren.
Alleen wie goed keek, zag nog dat hier een stad had gelegen.

Lena had de oude kaarten gezien, vergeelde vellen met namen die niemand meer gebruikte.
Nijmegen, stond er. Een woord dat nergens meer naar wees, behalve naar de rivierbocht en het
huis dat was blijven staan.

Het Besiendershuis.

Ze zag het al vanaf het water, toen hun boot de laatste bocht maakte. Het stond hoger dan de
rest, alsof het weigerde te knielen. Een huis dat niet had begrepen dat alles voorbijging. Of dat
het juist wél had begrepen, en daarom was gebleven.

De boot legde aan in de uiterwaarden, waar het al wekenlang vol stond met tenten, hutten van
wilgentenen, doeken gespannen over drijfhout. Mensen uit alle windstreken waren gekomen.
Niet alleen voor de vierdaagse, maar ook voor het wachten. Voor het samen zijn vóór het lopen.
De rivier was de weg geworden. Elektriciteit kende Lena alleen uit verhalen, net als
hoogspanningsmasten en licht dat zonder vuur brandde. Hier draaide alles op zon en wind, op
handen en afspraken, op wie wat kon en wilde geven.

Lume sprong als eerste uit de boot. Vijftien en al langer dan zij. Zijn lichaam was smal, maar
gespannen, alsof hij elk moment kon uitveren. Zijn haar droeg hij kort, niet uit mode maar omdat
het praktischer was onderweg. Hij keek niet naar het huis. Nog niet. Hij keek naar de mensen.
‘Is dit het?’ vroeg hij.
‘Dit is het,’ zei Lena.
Ze had hem verteld over het geitenpaadje. Over de tocht die hij volgend jaar zou lopen, alleen,
zonder haar. Een route die niet op kaarten stond, die zich alleen liet vinden door wie durfde te
verdwalen. Nu was dit een oefening. De vierdaagse. Vier dagen lopen, samen met anderen, maar
toch ook alleen met je voeten.
Ze hadden maanden gereisd vanuit Slovenië. Over water waar het kon, over land waar het
moest. Soms hadden ze meegelopen met karavanen, soms alleen. In de dorpen waar ze
kwamen, werd niet gevraagd waar ze vandaan kwamen, maar wat ze konden delen. Lena
vertelde verhalen. Lume luisterde en onthield.

Het Besiendershuis bleek geen huis, maar een gebaar.
Binnen was het koel. De dikke muren hielden de hitte buiten en de tijd binnen. Er waren geen
deuren meer die sloten, alleen doeken die men opzij schoof. Lange tafels stonden vol manden:
gedroogde vruchten, brood, zaden, stukken zeep, geweven doeken, messen met houten heften.
Alles wat de gemeenschappen hadden meegebracht. Alles wat gedeeld mocht worden.
Waar vroeger tol werd geheven, werd nu uitgedeeld.

Lena legde haar hand op het hout van een tafel. Ze voelde de nerven, de krassen van eeuwen. Dit
huis had oorlogen gezien, overstromingen, branden. Had duistere verhalen gedragen,
fluisteringen over bloed en schuld. Nu stond het hier, leeg van bezit, vol van doorgeven.
‘Je mag nemen wat je nodig hebt,’ zei een vrouw met grijs haar dat in een losse knoop zat. ‘En
laten wat je kunt missen.’
Lume keek naar zijn moeder. Zij knikte.
Hij nam een mes. Niet groot, niet nieuw, maar scherp genoeg. Lena nam niets. Ze had geleerd
dat dragen ook een last kon zijn.

’s Avonds zaten ze bij het vuur in de uiterwaarden. De rivier ademde langzaam, alsof ze zelf ook
moe was van al dat komen en gaan. Mensen vertelden waar ze vandaan kwamen. IJsland. De
kust van Afrika. De heuvels die ooit Frankrijk hadden geheten.
Lume luisterde. Hij zei weinig.
‘Morgen beginnen we,’ zei Lena.
‘Ik weet het.’
‘Je hoeft niet.’
Hij keek haar aan. Even maar. ‘Ik wil.’

De eerste dag liep het pad langs wat ooit straten waren geweest. Oude lantaarnpalen lagen half
in de grond, begroeid met mos. Kinderen speelden tussen stenen die geen functie meer hadden.
Het lopen was licht en voelde bijna feestelijk. Mensen zongen , of zwegen samen.

De tweede dag werd zwaarder. De route ging over oude dijken, langs wielen en kolken waar het
water ooit had gewonnen. De zon brandde. Lume’s adem werd korter.
‘Rust,’ zei Lena.
‘Nog even.’
Ze liet hem. Wist dat hij zijn grenzen moest leren kennen. Niet om ze te overschrijden, maar om
ze te voelen.

De derde dag liep het pad dichter langs de rivier. De grond was drassig. Schoenen zogen zich
vast. Hier werd minder gepraat. Hier hoorde je het lichaam werken.
Lume viel. Niet hard, maar genoeg om te blijven zitten.
‘Het geitenpaadje is erger,’ zei hij.
Lena ging naast hem zitten. ‘Misschien.’
‘Waarom doen we dit eigenlijk?’
Ze dacht aan de steden die waren verdwenen omdat niemand meer wist wie waarvoor
verantwoordelijk was. Aan het licht dat uitging toen niemand het nog wilde onderhouden. Aan
gemeenschappen die hadden geleerd dat samen niet vanzelf ging.
‘Omdat lopen je herinnert dat je ergens bent,’ zei ze. ‘En dat je daar ook weer weggaat.’

De vierde dag kwamen ze terug bij de rivierbocht. Het Besiendershuis stond er nog steeds,
onverstoorbaar. Mensen verzamelden zich. Er werd gegeten, gedronken, gedeeld. Geen finish,
geen prijzen. Alleen aankomst.
Lume stond stil en keek naar het huis.
‘Denk je dat het weet dat het er nog is?’ vroeg hij.
Lena glimlachte. ‘Misschien niet. Misschien is dat juist waarom.’

Die nacht sliepen ze in de uiterwaarden. De wind speelde met het doek van hun tent. Lume sliep
onrustig. Droomde misschien al van het geitenpaadje.
Lena lag wakker en luisterde. Naar de rivier. Naar de adem van haar zoon. Naar een wereld die
kleiner was geworden en daardoor misschien eindelijk te dragen.

In het jaar 2526 was niet alles beter. Maar sommige dingen waren gebleven.
Een huis, een paadje en een jongen die leerde lopen zonder zeker te weten waarheen.
Met een moeder die wist dat loslaten ook een vorm van geven was.





donderdag 1 januari 2026

Winterbloesem

De laatste kerkdienst van het jaar voelde als een naschrift. Alsof er, heel zacht, nog één zin werd toegevoegd onderaan de bladzijde.
De kerk was bijna leeg. Van de tachtig zitplaatsen waren er een tiental stoelen bezet.
Het licht was streng, de ruimte kaal. De kansel met zijn alfa en omega riep herinneringen op aan vroeger. Aan zware diensten met zware stemmen en zware waarheden. Ik verlang daar niet naar terug ook al heeft de tijd zijn eigen wonden geheeld.

Maar hier was het goed. We zongen alleen psalmen. Geen variatie, geen franje. Hele noten, lange adem. Het meezingen was verrassend lekker. Je kon niet vluchten, je moest blijven staan in de woorden. Over hoge vertrekken, grote machten en niet wankelen. Eeuwen als uren en verborgen worden in een tent.

De kerkenraad kwam binnen: een dominee en een ouderling. Klassiek zwart, ernstig en stemmig. Het beeld klopte. Toen de preek over Paulus’ brief aan de Filippenzen. Over vreugde die niet goedkoop is, maar ontstaat midden in het leven zoals het is. 

Er viel een citaat, bijna terloops, van Henk Binnendijk:
‘Je zult in de hemel zijn wat God hier al van je heeft kunnen maken.’ 

Toen volgde de uitleg. Dat sterren die aan en in de hemel schitteren allemaal verschillende groottes hebben. Dat onze manier van leven daar invloed op heeft. Er is niks mis met een kleine ster, maar je hoeft er niet bewust voor te kiezen. 
Ineens viel alles samen. De lege kerk met strenge kansel en het orgel dat verleden en heden verbond.

De psalmen op hele noten en de lichte preek met zware woorden.

Het bestond niet los van elkaar. Het was er allemaal. Zoals een jaar dat eindigt ook nooit eenduidig is. Er zit verlies in en verwachting. Weemoed en een zachte glimlach. Geen schone lei, maar een bladzijde die al beschreven is.

Ik liep naar buiten met dat gevoel. Niet opgelucht en ook niet bedrukt. Wel gedragen. Misschien is dat genoeg voor een nieuw jaar.


woensdag 31 december 2025

Tussen wat was en wat komt

 
Het jaar legt zich neer. Niet met een klap, maar als een jas die je uittrekt aan het eind van de dag. Even voel je de kou, omdat je huid nog warm is van alles wat je hebt meegedragen.

Ik kijk terug en zie geen rechte lijn. Meer een pad door het bos, soms breed en licht, soms nauwelijks zichtbaar. Een geitenpaadje misschien. Met modder. Met wortels waar je over struikelt als je te ver vooruitkijkt.
Dit jaar werd ik opa. Een woord dat ik nog onwennig in de mond neem. Alsof het groter is dan ikzelf en de tijd ineens een andere maat kreeg. In mijn handen lag iets dat nog niets weet van jaren, van zorgen, van aftellen. Alleen van warmte, huid en adem.
Ik ben vader gebleven. Dat ook. Want vaderschap verandert niet omdat er iets bijkomt.
Dit jaar leerde ik wat wachten is. Stilzitten in wachtruimtes waar de tijd geen haast heeft. Reizen die niet alleen voelden als onderweg zijn, maar als uitgesteld leven. Scans. Meters ziekenhuisgang. Een grens over, België in en weer terug, met dezelfde vragen in de auto als waarmee je vertrok. Het leven werd smaller, niet armer. Alles wat overbleef, werd zwaarder van betekenis.
Het bos bleef. Altijd weer het bos. Bomen die niets van agenda’s weten, niets van uitslagen, niets van plannen. Ze staan, laten los en wachten. Ik heb er vaak gelopen dit jaar, soms biddend, vaak zwijgend. Als iemand die probeert te begrijpen wat dragen eigenlijk betekent. En wie nu eigenlijk wie draagt, als het erop aankomt.
Mijn diakenzijn bleef ook. Als voorzitter mij verwonderd over de trouw van zoveel mensen die proberen op zoveel manieren betekenisvol te zijn voor de ander. Soms alleen maar door aanwezig te zijn in de nood van die ander. Gaaf om daar onderdeel van te zijn.
Ik schreef aan mijn nieuwste roman. Schrijven is voor mij geen ontsnappen, het is blijven. Zinnen zoeken die niet groter zijn dan de werkelijkheid, maar haar wel even optillen. Ik ben dankbaar voor de grandioze lancering een maand geleden. Prachtig om met een ‘Zullen we zwijgen’ dat nu echt helemaal af is, het oude jaar uit te gaan.
Aan het eind van dit jaar weet ik minder zeker dan aan het begin. En dat voelt niet als verlies. Eerder als ruimte. Ruimte voor wat komt. Voor wat niet gepland is. Voor genade misschien, al is dat een woord dat ik liever niet te snel gebruik.
Het nieuwe jaar ligt nog open. Onbeschreven. Ik hoop dat het mild zal zijn. Maar ik weet ook: als het dat niet is, zullen we weer lopen. Stap voor stap en door het bos. Over dat ene pad dat zich pas toont als je het gaat.
Voor nu is dit genoeg. Ik wens je dagen met ademruimte en momenten die blijven hangen, ook als het jaar zelf alweer verdergaat.

maandag 29 december 2025

Op stap met Maarten #5


De Tuin
Achter het restaurant langs de snelweg, tussen Amsterdam en Utrecht, lag een Chinese tuin. Je zag haar niet als je voorbijraast. Je moest afslaan. Vertragen.
Maarten deed dat. Hier ontmoette hij Karel. Ze liepen over bruggetjes en stonden aan de rand van het water, tussen stenen die ouder leken dan hun zwijgen. Het riet luisterde mee. De vijver hield alles vast.
Karel sprak. Over familie en over wat generaties lang verzwegen bleef. Geheimen die niet schreeuwen, maar blijven liggen, als slib op de bodem. Maarten zei weinig. Hij keek. Hij nam het in zich op.
Soms is een plek geen decor, maar een medeplichtige.
Hier, tussen snelweg en stilte, kreeg het verleden een stem.

zondag 21 december 2025

Op stap met Maarten #4

Het café

Voor het schrijven van Zullen we zwijgen bezocht ik plekken die het verhaal richting gaven. Ik neem jullie mee langs negen van die locaties. Vandaag nummer 4.
Met Sonja zit hij maandelijks aan een tafel in hun stamcafé. Veel wordt er niet gezegd. De glazen tussen hen blijven halfvol. Er hangt iets van afscheid nog voordat het woord gevallen is.
Met Marie is het rumoeriger. Gelach, verhalen en handen die elkaar even raken en weer loslaten. Zij kennen elkaar minder en willen dit meer. Hun gesprek gaat alle kanten op, maar komt telkens terug bij dezelfde vraag: waar blijf je als het stil wordt?
Met Karel is het anders. Zwaarder. Meer restaurant dan café. Woorden zijn voorzichtig, alsof elke zin iets kan breken. Ze spreken over schuld, over dingen die niet meer recht te zetten zijn.
Soms zwijgen ze samen. En dat is genoeg. Zullen we zwijgen is te koop bij de lokale boekhandel en via uitgeverijtoon.nl

zaterdag 20 december 2025

Kerstmist

Ik loop waar de mist

de bomen voorzichtig uitgumt,
alsof ze zich schamen
voor hun eigen hoogte.

Het pad is een vraag
zonder vraagteken,
bedekt met natte bladeren
die knisperen als oude brieven
die niemand meer leest.

Een hek blijft halfopen staan,
alsof het mij nog iets wil zeggen
maar het woord vergeten is.
Hier mag je door,
hier moet je terug 
het verschil doet er vandaag niet toe.

Mijn adem hangt even stil
tussen stammen en stilte.
Elke stap klinkt te hard
in een wereld die fluistert
dat blijven ook een vorm
van vertrekken is.

De mist weet alles,
maar vertelt niets.
Ik loop,
het is genoeg.

donderdag 18 december 2025

Op stap met Maarten #3

 De uiterwaarden

Voor het schrijven van Zullen we zwijgen bezocht ik plekken die het verhaal richting gaven. Ik neem jullie mee langs negen van die locaties. Vandaag nummer 3.
Wanneer de laatste wandelaars verdwenen waren en het pad alleen nog wist dat het ooit gebruikt werd, liep Maarten de uiterwaarden in. Het leek of hij verwacht werd.
’s Nachts was alles anders. Het water was zwart en glanzend tegelijk, de kribben tekenden zich af als ruggen van slapende dieren. De wind fluisterde door het gras, niet om iets te zeggen, maar om te laten horen dat hij er was.
Maarten luisterde hier naar de rivier die nooit stilstaat, maar ook nergens heen hoeft. Hier valt niets uit te leggen. Niet aan zichzelf. Niet aan een ander.
In Zullen we zwijgen is dit de plek waar woorden oplossen. Waar stilte geen leegte is, maar een aanwezigheid. Waar je kunt verdwijnen zonder echt weg te zijn.
Maarten kwam hier niet om iets te zoeken.
Hij kwam om eve
n niemand te zijn.

dinsdag 16 december 2025

Op pad met Zullen we zwijgen # 2

 De Grebbeberg


Voor het schrijven van Zullen we zwijgen bezocht ik allerlei plekken die het verhaal richting gaven. Ik neem jullie mee langs negen van die locaties, plekken waar iets openviel, waar een zin begon, of waar Maarten dichterbij kwam. Vandaag nummer 2.

In Zullen we zwijgen wordt Maarten op latere leeftijd geconfronteerd met familiegeheimen. In zijn zoektocht naar waarheid, en naar de vraag of hij die waarheid wel echt wil kennen, dienen herinneringen zich steeds nadrukkelijker aan.

De Grebbeberg is zo’n verhaal van vroeger. Als jongen lag Maarten ’s avonds in bed met het raam open. Vanuit de verte hoorde hij de uilen die te horen waren vanaf de helling van de berg. Dat geluid keert later terug in zijn gedachten, als een echo uit een tijd waarin niet alles werd uitgesproken, maar wel werd gevoeld.
Ook Thomas hoort bij die herinnering. Hun verbondenheid, hun gezamenlijke luisteren, geeft de scène haar lading. Zonder dat Maarten het beseft, helpt het verleden hem begrijpen wat er nu speelt.

Zullen we zwijgen is
te koop bij de boekhandel en via uitgeverijtoon.nl

donderdag 11 december 2025

Op pad met Zullen we zwijgen #1

 #1 De parkeerplaats

Voor het schrijven van 'Zullen we zwijgen' bezocht ik allerlei plekken die het verhaal richting gaven. Ik neem jullie mee langs negen van die locaties; plekken waar iets openviel, waar een zin begon, of waar Maarten dichterbij kwam. Vandaag de eerste.
Sommige plekken dragen hun verhalen ongezien. Deze parking langs de snelweg is er zo één. Overdag haast je je eraan voorbij, maar ’s avonds verandert de lucht. Auto’s die blijven staan, blikken die elkaar zoeken, mensen die even willen verdwijnen of gevonden worden.
Hier, tussen asfalt en struikgewas, begrijp ik iets van de spanning waarin Maarten leeft: het verlangen dat fluistert, de schaamte die in de schaduw blijft hangen, de eenzaamheid die zich verstopt achter routinematig verkeer.
Het is geen plek om lang te blijven, maar wel een plek waar een verhaal kan beginnen. Of waar het, heel even, naar de oppervlakte komt.
Het is bijzonder om een paar uur in het bos achter de parkeerplaats te dwalen. De overgang tussen bos en heide en die tussen loof- en dennenbos treft me. De natuur laat zich van haar rijkste kant zien. Hier een poosje rondlopen is geen straf. Maarten komt wat dichterbij en ik ook.

woensdag 5 november 2025

Dankdag voor gewas en arbeid

Zo heet het vandaag nog steeds. Een dag waarop kerken bloemen en fruit op het altaar zetten, waarin gebeden wordt voor boeren en arbeiders, waarin woorden als ‘zegen’ en ‘vruchtbaarheid’ klinken. Ooit een vanzelfsprekendheid: God danken voor wat de aarde geeft, en voor wat onze handen tot stand brengen.

Maar ik vraag me af: waarvoor danken we precies?
De aarde kreunt. Haar vruchtbaarheid is niet langer een geschenk, maar een berekening. Grond wordt uitgeput door monoculturen die jaar na jaar hetzelfde eisen. De ploeg, de mestinjector, de spuit en het ritme van de seizoenen is ingeruild voor dat van machines en marges. We noemen het landbouw, maar het lijkt meer op landroof: we nemen, zonder te luisteren naar wat er nog te geven valt.

Dankbaar voor met gif bespoten bloemen waarvan de toegebrachte schade steeds duidelijker wordt? Dankbaar voor genetisch gemanipuleerde maïs, gevoerd aan koeien die nooit meer echt grazen? Voor melkproductie die de maat van het leven allang te buiten gaat? Voor arbeid die mensen tot radertjes maakt in een systeem dat geen adem kent?

Ik denk aan het woord ‘arbeid’. In de Bijbel klinkt dat als iets goeds, iets waarin mens en aarde elkaar vinden. Nu is het vooral iets wat we moeten volhouden. Hard werken om het hoofd boven water te houden, om te voldoen aan regels, aan rendement, aan verwachtingen die niemand meer echt begrijpt.

Misschien is het tijd om stil te staan bij voor wat we nog wél kunnen danken.
Voor de boer die zijn land laat rusten. Voor de akker waar weer klaver groeit, en bloemen.
Voor de bijen die terugkeren en voor de regen die valt waar hij nodig is.
En voor de mens die durft te zeggen: het is genoeg.