zaterdag 6 juni 2026

Dagkamperen

Gisteren liep ik op de begraafplaats. Op het gedeelte waar de natuurgraven liggen en waar mijn vrouw begraven zal worden.
Bijna twee jaar geleden zochten en kregen we hier een plek. Na enig zoeken vond ik haar terug. Tussen een tamme kastanje en een krentenboompje. In de halfschaduw maar ook een paar uur per dag volop in het licht.
Toen ik een foto maakte van het paadje waarlangs we volgende week de loopkoets zullen duwen, zag ik ineens de overeenkomst. Ooit kampeerden we het liefst op natuurkampeerterreinen Tussen de bomen. Met zo min mogelijk voorzieningen. Een zandpad, een tent en vooral rust. 
Even glimlachte ik. Ze heeft het voor elkaar. De cirkel is rond. We eindigen waar het ooit begon. En nee, ik zal er geen tentje meer op zetten. Hooguit van tijd tot tijd wat dagkamperen.

4 juni 2026

 

Gisteren overleed Herma.
De cello zwijgt. De strijd is gestreden.
Een lange en intense reis kwam ten einde. Boven wordt voor haar gezorgd.


Vallend blad in de lente

 1 juni 2026 De hele wereld kende mijn verhaal. In grote lijnen kwam het erop neer dat ik als twaalfjarige voor het eerst achter een gokkast zat. Deze kast werd een speelhal en vandaar was de route naar het casino niet lang.
Heel veel jaren later vond ik mezelf terug en liet ik me voor mijn gokverslaving opnemen bij De Hoop in Dordrecht. In 2009 verliet ik de kliniek en mocht ik de wereld weer in. Ongeveer vijftien jaar lang lukte het me daarna om clean te leven.
De laatste jaren heb ik een zware terugval gehad. Daar ben ik een maand geleden mee naar buiten gekomen. De wereld van diverse mensen is hierdoor behoorlijk ingestort en de afgelopen weken is me steeds duidelijker geworden wat ik aangericht heb. Ik heb spijt en zou willen dat alles anders gelopen was. Ik realiseer me ook dat ik het niet terug kan draaien, maar ik wil wel onder ogen zien wat er gebeurd is.
Mijn financiën heb ik uit handen gegeven. Ik sta op diverse wachtlijsten voor hulp. Andere instanties en mensen helpen me om te kijken waar ik herstel kan en moet bewerkstelligen.
Ik snap dat mijn woorden momenteel niet veel waard zijn, tegelijk heb ik woorden nodig om te blijven ademen. Naast de gevolgen voor anderen is mijn eigen wereld ook ingestort. De weg omhoog voelt ver weg maar ergens zoek ik een begaanbaar pad. Voor mij helpen woorden daarbij. Dit bericht is daar een voorbeeld van.
Daarnaast, maar dat gaat niet alleen over mij en daarom houd ik dat kort, weten de meesten van jullie dat mijn vrouw al langere tijd ernstig ziek is. Inmiddels ligt zij in het hospice en proberen we samen met onze kinderen vorm en inhoud te geven aan deze laatste dagen waarin we als gezin nog compleet zijn.

zondag 8 maart 2026

Geen brug te ver

 De stad slaapt nog wanneer ik de deur van het Besiendershuis achter me dichttrek. De stenen zijn koud van de nacht. Aan de Waal hangt een mist die zo dik is dat de overkant niet bestaat. Alleen water, ademend en traag.

Ik loop langs de kade, de rivier volgend en kijken of hij ergens een antwoord heeft. Uit de mist groeit langzaam de Waalbrug. Eerst de pijlers, zwaar en stil als betonnen voeten. Daarboven de boog, een rug die zich uitstrekt over het water. Op een van de pijlers heeft iemand met grote letters geschreven dat vluchtelingen welkom zijn. De woorden hangen in de vochtige lucht, alsof ze nog niet weten waar ze moeten landen.

Dan hol ik een hoge steile trapbrug op en af en bevind me in de uiterwaarden die het begin van een polder vormen. Aan de rand van een strandje staat een klein tentje. De rits gaat open. Twee mannen kruipen naar buiten, hun bewegingen traag van de nacht. Rond het doek liggen lege flessen en een paar blikken. Ze praten met elkaar in een taal die ik niet meteen herken, maar ergens klinkt hij Pools. Hun stemmen schuren zacht door de mist.

Ik ren tussen paarden en koeien door die al vroeg genieten van het kruidenrijke gras dat tussen pollen riet en jong aanplant groeit. Soms glijden mijn nieuwe hardloopschoenen weg tussen slib en zand. Na een halfuurtje ren ik weer terug. De paarden staan nog op dezelfde plek. Eén koe schuurt traag tegen een ijzeren paal. 

Wanneer ik de stad weer binnenkom, begint het licht te worden. Langs de kade, voor het casino, staat een man gebogen over een prullenbak. Hij tilt het deksel op, kijkt erin, haalt er een blikje uit en stopt het in een plastic tas. Het rinkelt zacht tegen de anderen.

Even blijf ik staan en vraag ik me af waar hun verhalen begonnen zijn. De mannen in het tentje en de man met de tas. Op welk moment een leven afbuigt, een andere richting kiest, een pad dat steeds smaller wordt. Soms zo smal dat keren niet meer mogelijk is.

De Waal stroomt onverstoorbaar verder. De mist trekt langzaam op. De stad wordt wakker. Maar sommige verhalen blijven nog even in de ochtend hangen. Zoals adem in koude lucht.

donderdag 5 maart 2026

De winter is af


De winter is af.
Niet met een besluit
maar zoals sneeuw verdwijnt
zonder dat iemand het merkt.

Eerst het water
langs de rand van het pad.
Dan de lucht
die zachter ademt.

De bomen staan nog kaal
maar onder hun bast
werkt iets dat geduld heeft.

Knoppen,
kleine verzegelde brieven
aan het licht.

Een merel zet een zin in
en breekt hem weer af,
ook hij nog moet wennen
aan de ruimte in de ochtend.

Ik loop langs het veld
waar de grond donker ligt
als een bladzijde
die opnieuw begint.

De winter is af,
zeg ik tegen niemand.

En toch blijft er iets hangen
in de stilte tussen de takken,

alsof de kou
nog één keer
achterom kijkt.

Bijna af


We zeggen het steeds vaker.
Bijna af.

Alsof het een klusje is
waar nog een laatste schroef in moet.
Alsof er nog even geschuurd wordt
aan de rand van de dag.

De dokter praat in grafieken
en percentages
maar tussen zijn woorden door
staat het wachten.
Een stoel.
Een gang die nergens heen lijkt te gaan.

Soms denk ik
dat het leven zelf
ook zo’n wachtkamer is.

We zitten er samen.
Jij met je sjaal
die eigenlijk niet meer nodig is;
deze winter gaat niet over.

We lachen nog.
Om kleine dingen.
Een vogel op de vensterbank.
Een verpleegkundige
die per ongeluk ‘goedemorgen’ zegt
terwijl het al middag is.

Maar onder alles
ligt iets hards.
Zoals een steen
onder nat gras.

Bijna af, zeg ik dan.

Niet omdat ik het geloof.
Maar omdat woorden
soms een hand zijn
waar je je even aan vasthoudt
voordat je loslaat.

Helemaal af

 

Die ik het meest van allen ooit beminde
was niet de rode, zwarte of de blonde,
niet zij die zich naar mijn verlangen schikte,
niet lang of kort, niet rank en niet de ronde.

Al ging mijn hart soms uit naar warm en zacht,
naar eenzaamheid die troostend kon verblinden,
als jager bracht ik telkens weer mijn jacht
van kermis koud en arm naar huis, ontbonden.

Mijn grootste liefde, stom en dwaas genoeg,
is nooit gezegd, niet hardop uitgesproken.
Geen antwoord kwam, omdat ik haar niet vroeg:
zij is al lang in stilte weggekropen.

Hoeveel armen ik ook voelde branden,
benen die mij rond en vurig vingen,
handen door mijn dunner wordend haar,
ogen die aan mijn lippen hangen bleven.

Gezichten die op mijn schouders huilden,
buiken waar mijn hand rust vond en bleef,
al was ik het die telkens weer verruilde 
ze had gelijk in alles wat ze zei.

Maar nee, die ik tot in mijn wortels min,
is dood, gekist, onder zand gestopt.
Nu snap ik eindelijk de keus, de zin:
ik ga nu weg, en vreemd genoeg, het klopt.

woensdag 25 februari 2026

Het huis dat bleef

(Met dit verhaal de eerste prijs gewonnen van de Schrijfwedstrijd Besiendershuis 500 jaar. Zie ook https://besiendershuis.nl/nieuws/dit-zijn-de-winnende-teksten-van-de-schrijfwedstrijd/)


Jaar 2526

De stad was weggegaan zonder afscheid te nemen.
Niet in één nacht, niet met sirenes of rook, maar zoals water verdwijnt uit een kom waar een
barst in zit. Eerst de stemmen, daarna de stenen. De straten werden paden, de paden weer
aarde. Gras vond zijn weg tussen fundamenten, bomen wortelden in wat ooit kelders waren.
Alleen wie goed keek, zag nog dat hier een stad had gelegen.

Lena had de oude kaarten gezien, vergeelde vellen met namen die niemand meer gebruikte.
Nijmegen, stond er. Een woord dat nergens meer naar wees, behalve naar de rivierbocht en het
huis dat was blijven staan.

Het Besiendershuis.

Ze zag het al vanaf het water, toen hun boot de laatste bocht maakte. Het stond hoger dan de
rest, alsof het weigerde te knielen. Een huis dat niet had begrepen dat alles voorbijging. Of dat
het juist wél had begrepen, en daarom was gebleven.

De boot legde aan in de uiterwaarden, waar het al wekenlang vol stond met tenten, hutten van
wilgentenen, doeken gespannen over drijfhout. Mensen uit alle windstreken waren gekomen.
Niet alleen voor de vierdaagse, maar ook voor het wachten. Voor het samen zijn vóór het lopen.
De rivier was de weg geworden. Elektriciteit kende Lena alleen uit verhalen, net als
hoogspanningsmasten en licht dat zonder vuur brandde. Hier draaide alles op zon en wind, op
handen en afspraken, op wie wat kon en wilde geven.

Lume sprong als eerste uit de boot. Vijftien en al langer dan zij. Zijn lichaam was smal, maar
gespannen, alsof hij elk moment kon uitveren. Zijn haar droeg hij kort, niet uit mode maar omdat
het praktischer was onderweg. Hij keek niet naar het huis. Nog niet. Hij keek naar de mensen.
‘Is dit het?’ vroeg hij.
‘Dit is het,’ zei Lena.
Ze had hem verteld over het geitenpaadje. Over de tocht die hij volgend jaar zou lopen, alleen,
zonder haar. Een route die niet op kaarten stond, die zich alleen liet vinden door wie durfde te
verdwalen. Nu was dit een oefening. De vierdaagse. Vier dagen lopen, samen met anderen, maar
toch ook alleen met je voeten.
Ze hadden maanden gereisd vanuit Slovenië. Over water waar het kon, over land waar het
moest. Soms hadden ze meegelopen met karavanen, soms alleen. In de dorpen waar ze
kwamen, werd niet gevraagd waar ze vandaan kwamen, maar wat ze konden delen. Lena
vertelde verhalen. Lume luisterde en onthield.

Het Besiendershuis bleek geen huis, maar een gebaar.
Binnen was het koel. De dikke muren hielden de hitte buiten en de tijd binnen. Er waren geen
deuren meer die sloten, alleen doeken die men opzij schoof. Lange tafels stonden vol manden:
gedroogde vruchten, brood, zaden, stukken zeep, geweven doeken, messen met houten heften.
Alles wat de gemeenschappen hadden meegebracht. Alles wat gedeeld mocht worden.
Waar vroeger tol werd geheven, werd nu uitgedeeld.

Lena legde haar hand op het hout van een tafel. Ze voelde de nerven, de krassen van eeuwen. Dit
huis had oorlogen gezien, overstromingen, branden. Had duistere verhalen gedragen,
fluisteringen over bloed en schuld. Nu stond het hier, leeg van bezit, vol van doorgeven.
‘Je mag nemen wat je nodig hebt,’ zei een vrouw met grijs haar dat in een losse knoop zat. ‘En
laten wat je kunt missen.’
Lume keek naar zijn moeder. Zij knikte.
Hij nam een mes. Niet groot, niet nieuw, maar scherp genoeg. Lena nam niets. Ze had geleerd
dat dragen ook een last kon zijn.

’s Avonds zaten ze bij het vuur in de uiterwaarden. De rivier ademde langzaam, alsof ze zelf ook
moe was van al dat komen en gaan. Mensen vertelden waar ze vandaan kwamen. IJsland. De
kust van Afrika. De heuvels die ooit Frankrijk hadden geheten.
Lume luisterde. Hij zei weinig.
‘Morgen beginnen we,’ zei Lena.
‘Ik weet het.’
‘Je hoeft niet.’
Hij keek haar aan. Even maar. ‘Ik wil.’

De eerste dag liep het pad langs wat ooit straten waren geweest. Oude lantaarnpalen lagen half
in de grond, begroeid met mos. Kinderen speelden tussen stenen die geen functie meer hadden.
Het lopen was licht en voelde bijna feestelijk. Mensen zongen , of zwegen samen.

De tweede dag werd zwaarder. De route ging over oude dijken, langs wielen en kolken waar het
water ooit had gewonnen. De zon brandde. Lume’s adem werd korter.
‘Rust,’ zei Lena.
‘Nog even.’
Ze liet hem. Wist dat hij zijn grenzen moest leren kennen. Niet om ze te overschrijden, maar om
ze te voelen.

De derde dag liep het pad dichter langs de rivier. De grond was drassig. Schoenen zogen zich
vast. Hier werd minder gepraat. Hier hoorde je het lichaam werken.
Lume viel. Niet hard, maar genoeg om te blijven zitten.
‘Het geitenpaadje is erger,’ zei hij.
Lena ging naast hem zitten. ‘Misschien.’
‘Waarom doen we dit eigenlijk?’
Ze dacht aan de steden die waren verdwenen omdat niemand meer wist wie waarvoor
verantwoordelijk was. Aan het licht dat uitging toen niemand het nog wilde onderhouden. Aan
gemeenschappen die hadden geleerd dat samen niet vanzelf ging.
‘Omdat lopen je herinnert dat je ergens bent,’ zei ze. ‘En dat je daar ook weer weggaat.’

De vierde dag kwamen ze terug bij de rivierbocht. Het Besiendershuis stond er nog steeds,
onverstoorbaar. Mensen verzamelden zich. Er werd gegeten, gedronken, gedeeld. Geen finish,
geen prijzen. Alleen aankomst.
Lume stond stil en keek naar het huis.
‘Denk je dat het weet dat het er nog is?’ vroeg hij.
Lena glimlachte. ‘Misschien niet. Misschien is dat juist waarom.’

Die nacht sliepen ze in de uiterwaarden. De wind speelde met het doek van hun tent. Lume sliep
onrustig. Droomde misschien al van het geitenpaadje.
Lena lag wakker en luisterde. Naar de rivier. Naar de adem van haar zoon. Naar een wereld die
kleiner was geworden en daardoor misschien eindelijk te dragen.

In het jaar 2526 was niet alles beter. Maar sommige dingen waren gebleven.
Een huis, een paadje en een jongen die leerde lopen zonder zeker te weten waarheen.
Met een moeder die wist dat loslaten ook een vorm van geven was.





donderdag 1 januari 2026

Winterbloesem

De laatste kerkdienst van het jaar voelde als een naschrift. Alsof er, heel zacht, nog één zin werd toegevoegd onderaan de bladzijde.
De kerk was bijna leeg. Van de tachtig zitplaatsen waren er een tiental stoelen bezet.
Het licht was streng, de ruimte kaal. De kansel met zijn alfa en omega riep herinneringen op aan vroeger. Aan zware diensten met zware stemmen en zware waarheden. Ik verlang daar niet naar terug ook al heeft de tijd zijn eigen wonden geheeld.

Maar hier was het goed. We zongen alleen psalmen. Geen variatie, geen franje. Hele noten, lange adem. Het meezingen was verrassend lekker. Je kon niet vluchten, je moest blijven staan in de woorden. Over hoge vertrekken, grote machten en niet wankelen. Eeuwen als uren en verborgen worden in een tent.

De kerkenraad kwam binnen: een dominee en een ouderling. Klassiek zwart, ernstig en stemmig. Het beeld klopte. Toen de preek over Paulus’ brief aan de Filippenzen. Over vreugde die niet goedkoop is, maar ontstaat midden in het leven zoals het is. 

Er viel een citaat, bijna terloops, van Henk Binnendijk:
‘Je zult in de hemel zijn wat God hier al van je heeft kunnen maken.’ 

Toen volgde de uitleg. Dat sterren die aan en in de hemel schitteren allemaal verschillende groottes hebben. Dat onze manier van leven daar invloed op heeft. Er is niks mis met een kleine ster, maar je hoeft er niet bewust voor te kiezen. 
Ineens viel alles samen. De lege kerk met strenge kansel en het orgel dat verleden en heden verbond.

De psalmen op hele noten en de lichte preek met zware woorden.

Het bestond niet los van elkaar. Het was er allemaal. Zoals een jaar dat eindigt ook nooit eenduidig is. Er zit verlies in en verwachting. Weemoed en een zachte glimlach. Geen schone lei, maar een bladzijde die al beschreven is.

Ik liep naar buiten met dat gevoel. Niet opgelucht en ook niet bedrukt. Wel gedragen. Misschien is dat genoeg voor een nieuw jaar.


woensdag 31 december 2025

Tussen wat was en wat komt

 
Het jaar legt zich neer. Niet met een klap, maar als een jas die je uittrekt aan het eind van de dag. Even voel je de kou, omdat je huid nog warm is van alles wat je hebt meegedragen.

Ik kijk terug en zie geen rechte lijn. Meer een pad door het bos, soms breed en licht, soms nauwelijks zichtbaar. Een geitenpaadje misschien. Met modder. Met wortels waar je over struikelt als je te ver vooruitkijkt.
Dit jaar werd ik opa. Een woord dat ik nog onwennig in de mond neem. Alsof het groter is dan ikzelf en de tijd ineens een andere maat kreeg. In mijn handen lag iets dat nog niets weet van jaren, van zorgen, van aftellen. Alleen van warmte, huid en adem.
Ik ben vader gebleven. Dat ook. Want vaderschap verandert niet omdat er iets bijkomt.
Dit jaar leerde ik wat wachten is. Stilzitten in wachtruimtes waar de tijd geen haast heeft. Reizen die niet alleen voelden als onderweg zijn, maar als uitgesteld leven. Scans. Meters ziekenhuisgang. Een grens over, België in en weer terug, met dezelfde vragen in de auto als waarmee je vertrok. Het leven werd smaller, niet armer. Alles wat overbleef, werd zwaarder van betekenis.
Het bos bleef. Altijd weer het bos. Bomen die niets van agenda’s weten, niets van uitslagen, niets van plannen. Ze staan, laten los en wachten. Ik heb er vaak gelopen dit jaar, soms biddend, vaak zwijgend. Als iemand die probeert te begrijpen wat dragen eigenlijk betekent. En wie nu eigenlijk wie draagt, als het erop aankomt.
Mijn diakenzijn bleef ook. Als voorzitter mij verwonderd over de trouw van zoveel mensen die proberen op zoveel manieren betekenisvol te zijn voor de ander. Soms alleen maar door aanwezig te zijn in de nood van die ander. Gaaf om daar onderdeel van te zijn.
Ik schreef aan mijn nieuwste roman. Schrijven is voor mij geen ontsnappen, het is blijven. Zinnen zoeken die niet groter zijn dan de werkelijkheid, maar haar wel even optillen. Ik ben dankbaar voor de grandioze lancering een maand geleden. Prachtig om met een ‘Zullen we zwijgen’ dat nu echt helemaal af is, het oude jaar uit te gaan.
Aan het eind van dit jaar weet ik minder zeker dan aan het begin. En dat voelt niet als verlies. Eerder als ruimte. Ruimte voor wat komt. Voor wat niet gepland is. Voor genade misschien, al is dat een woord dat ik liever niet te snel gebruik.
Het nieuwe jaar ligt nog open. Onbeschreven. Ik hoop dat het mild zal zijn. Maar ik weet ook: als het dat niet is, zullen we weer lopen. Stap voor stap en door het bos. Over dat ene pad dat zich pas toont als je het gaat.
Voor nu is dit genoeg. Ik wens je dagen met ademruimte en momenten die blijven hangen, ook als het jaar zelf alweer verdergaat.

maandag 29 december 2025

Op stap met Maarten #5


De Tuin
Achter het restaurant langs de snelweg, tussen Amsterdam en Utrecht, lag een Chinese tuin. Je zag haar niet als je voorbijraast. Je moest afslaan. Vertragen.
Maarten deed dat. Hier ontmoette hij Karel. Ze liepen over bruggetjes en stonden aan de rand van het water, tussen stenen die ouder leken dan hun zwijgen. Het riet luisterde mee. De vijver hield alles vast.
Karel sprak. Over familie en over wat generaties lang verzwegen bleef. Geheimen die niet schreeuwen, maar blijven liggen, als slib op de bodem. Maarten zei weinig. Hij keek. Hij nam het in zich op.
Soms is een plek geen decor, maar een medeplichtige.
Hier, tussen snelweg en stilte, kreeg het verleden een stem.

zondag 21 december 2025

Op stap met Maarten #4

Het café

Voor het schrijven van Zullen we zwijgen bezocht ik plekken die het verhaal richting gaven. Ik neem jullie mee langs negen van die locaties. Vandaag nummer 4.
Met Sonja zit hij maandelijks aan een tafel in hun stamcafé. Veel wordt er niet gezegd. De glazen tussen hen blijven halfvol. Er hangt iets van afscheid nog voordat het woord gevallen is.
Met Marie is het rumoeriger. Gelach, verhalen en handen die elkaar even raken en weer loslaten. Zij kennen elkaar minder en willen dit meer. Hun gesprek gaat alle kanten op, maar komt telkens terug bij dezelfde vraag: waar blijf je als het stil wordt?
Met Karel is het anders. Zwaarder. Meer restaurant dan café. Woorden zijn voorzichtig, alsof elke zin iets kan breken. Ze spreken over schuld, over dingen die niet meer recht te zetten zijn.
Soms zwijgen ze samen. En dat is genoeg. Zullen we zwijgen is te koop bij de lokale boekhandel en via uitgeverijtoon.nl

zaterdag 20 december 2025

Kerstmist

Ik loop waar de mist

de bomen voorzichtig uitgumt,
alsof ze zich schamen
voor hun eigen hoogte.

Het pad is een vraag
zonder vraagteken,
bedekt met natte bladeren
die knisperen als oude brieven
die niemand meer leest.

Een hek blijft halfopen staan,
alsof het mij nog iets wil zeggen
maar het woord vergeten is.
Hier mag je door,
hier moet je terug 
het verschil doet er vandaag niet toe.

Mijn adem hangt even stil
tussen stammen en stilte.
Elke stap klinkt te hard
in een wereld die fluistert
dat blijven ook een vorm
van vertrekken is.

De mist weet alles,
maar vertelt niets.
Ik loop,
het is genoeg.