dinsdag 30 mei 2017

'Ik heb nog nooit een acht gehaald'

Een paar jaar geleden kwam een meisje aan het eind van de les naar mijn bureau.  Haar repetitie-blaadje in de hand. 
Ze aarzelde en zei 'Klopt dit wel meneer?'
'Wat bedoel je Joke?'
'Nou, hier staat een acht.'
'Ja, zoals ik al zei, heel goed gedaan!'
'Maar ik heb nog nooit een acht gehaald.' Ik meende een traan te zien glinsteren. 
Achteraf gezien was dit het moment dat ik de beslissing nam om me helemaal te richten op deze kinderen. Leerlingen die het vmbo volgen. En dan de kader-, of liever nog de basisberoepsgerichte leerweg. Mensen waarvan ik merk dat ze veel talenten hebben. Alleen niet op cognitief niveau.
Leerlingen die de hele basisschooltijd doorgebracht hebben in de hoek van 'kan niet', 'wil niet', 'mag niet' en ten slotte 'durf niet'.  Ik weet dat ik chargeer, maar toch.
Het gesprek met Joke was nog niet over. Nou ja, wel met haar maar niet met haar moeder. Die belde me 's avonds.
'Joke staat hier naast me. Ze is zo blij met haar mooie cijfer'
'Ha ja mevrouw,  leuk dat u daarvoor belt.  Feliciteer haar maar. Ze heeft het echt helemaal zelf verdiend'
'Ja daarvoor bel ik u ook' vervolgde ze, 'eigenlijk willen we u vragen of ze naar kader kan, een niveautje hoger.'
'Waarom wilt u dat mevrouw?'
'Nou ja, haar broer Paul doet gewoon havo, en nu vinden we het een beetje naar dat Joke helemaal op basis zit.'
Ik zal u mijn reactie besparen, het was niet mijn beleefdste antwoord ooit.
Hiermee zeg ik niet dat de onderwaardering van het vmbo aan ouders, of alleen aan ouders te danken is.  
Ook wij schoolmensen maken er een potje van. Zolang wij blijven praten over opstromen en afstromen, niveau hoger of niveau lager verandert er niets.
Om nog maar niet te praten over methodes en hun totstandkoming. Ben er zelf ook wel eens bij betrokken geweest. Wil niets afdoen van de goede intenties van de mensen die hier  veel uren insteken. Ook in hun vrije tijd. Maar per definitie worden methodes geschreven door mensen die zelf aan de andere kant van het spectrum zitten.
Dit betekent in de praktijk dat een methode vaak geschreven wordt voor een havo/vwo-niveau.
En uiteindelijk na veel schaven en alle vierlettergrepige woorden verwijderen, blijft er iets over dat geschikt is voor een vmbo-leerling. Denken we.
Dat deze leerling vaak niets heeft met onze manier van werken, vergeten we.
Wil ik echt dat degene die in de toekomst mijn huis bouwt, de weg aanlegt of mij verzorgt, het verschil weet tussen een onderwerp en een lijdend voorwerp?
Vanmorgen waren we aan het ontleden.  De zin "Ik ga vissen vangen met een schepnet." stond in het boek.  Hierbij een paar reacties:
'Meneer ik vis niet.'
'Mijn broer vist met een hengel.'
'Pas een snoek van zestig centimeter gevangen.'
'Vissen is saai.'
Toen we uiteindelijk de opdracht maakten, vond de helft 'vissen' ook een werkwoord.  Natuurlijk hadden ze gelijk, alleen niet in deze zin. Typisch geval van verkeerd voorbeeld op een verkeerde plaats.
Ik heb het nu over mensen die de rest van hun leven bezig zullen zijn met uitvoerende taken.  Veelal met hun handen gaan werken. Mooie, moeilijke en zware dingen doen.
Hiermee zeg ik niets over die mens. IQ maakt geen goede of slechte mensen. Zelf denk ik wel eens dat ik slim ben. Maar al mijn slimmigheid heeft me niet behoed voor een paar domme keuzes. Het waren juist mijn vmbo-leerlingen die indruk op mij maakten. Op het moment dat gevolgen van foute keuzes zichtbaar werden. En nogal breed uitgemeten werden. Toen het voor mijn directe omgeving al lang oud nieuws was.  Het waren mijn leerlingen die me op één van mijn donkerste momenten verrasten met een cadeau als hart onder de riem. En een bos bloemen. ‘Voor uw vrouw, want zij kan er helemaal niets aan doen.'  
Het zijn inmiddels vrachtwagenchauffeurs, schoonmakers, metselaars en verzorgenden geworden. Ik ben onwijs trots op ze. Verschillende van hen spreek ik nog regelmatig. Ze zijn geworden wat ze toen al waren. Grote mensen.




donderdag 25 mei 2017

Weeszondag



Het kind in jou
koesteren ,
hebben,
laten.
Som zonder uitkomst,
Vermenigvuldiging,
zonder iets.
Raadsel,
geen oplossing.
Alleen de vraag is mooi.
Antwoord niet nodig.
De vraag tekent.
De 'is' belangrijk.
Veel achter
de twee liggende streepjes
een leugen.
Blijf wie je bent:
de som, de opdracht, het raadsel.
Laat niemand het antwoord geven.
Zolang jij plust,
of mint,
deelt en vermenigvuldigt.
Is alles tot
het 'isgelijkteken'
belangrijk.
De rest kan wachten.

Want Pinksteren komt,
is geweest.
En de Geest 
die blijft.




donderdag 18 mei 2017

Heideveldje



Gracieus kwam vandaag
dat heideveldje,
hier een eind vandaan
maar nooit ver weg,
op mij af.
Raakte mij,
door haar schoonheid.
Nog meer, 
door wat rondom haar 
opbloeide.
Ze vulde, verwarmde.
Maakte blij en glanzend.
Nu nam ze ruimte 
Anders zou ik dwalen 
op en in dat veldje.
Uren, dagen 
een leven.
De heide voelen,
proeven, ruiken.
Samen leren,
dat elke maand
zijn charmes heeft.
Lachende lente,
huilende herfst. 
Ga heideveldje,
bloei als nooit tevoren.
Vind je heuvel,
die je laat kleuren.
Koester je leegtes,
vul ze niet allemaal.
Werp je zeven zonen,
als een krans om je heen.
Word het natuurwonder
dat je bent.
Al zal ik je niet betreden,
en zul jij niet kijken
ik zal je zien.

zondag 14 mei 2017

Moederdag

Op deze mooie zondagmorgen doe ik dienst in Gouwestein. Een zorginstelling in onze achtertuin. Elke zondagmorgen wordt er een kerkdienst belegd.  Altijd door één van de vele wijkgemeenten die ons stadje rijk is. Vandaag is onze wijk aan de beurt. Wij 'leveren' dan een dominee, een ouderling, een organist en een diaken. Ik ben er één van.


Daar ik de laatste tijd wat vaker in soortgelijke instellingen geweest ben, niet als kerkenraadslid maar als familielid, kijk ik nu toch met wat andere ogen.
En sta ik verbaasd over alle mensen die hier bezig zijn. Naast de professionals (zowel het verplegend als facilitair personeel) de vele vrijwilligers. De gastvrouwen en heren, de mensen die bewoners van en naar de kamer halen en brengen. De koffie-schenkers, collectanten en organisten. Soms zelfs een heel koor.
Zoals altijd, wanneer ik dienst heb, ben ik veel te vroeg. Ik maak wat foto's van wat kunstwerken.  En snuffel wat rond. Spreek wat mensen. 
Dan de dienst. Mooi, kort en krachtig. Over psalm 23. De Heer is mijn Herder en zo. In deze omgeving komt deze psalm nog meer tot zijn recht. Er komt ook een geweldig mooi gezang langs. In ieder geval de laatste regel daarvan raakt mij altijd.
Vanuit één van de speciaal gereserveerde 'kerkenraadsstoeltjes' heb ik een goed zicht op de gemeente deze morgen.
Zo'n vijf à zes mannen. En een stuk of dertig vrouwen. Mijn gedachten dwalen af naar mijn moeder. Op dit moment een honderd kilometer verderop, in een andere zorginstelling.
Ondertussen hoor ik flarden van de overbekende psalm voorbijkomen. Over grazige weiden. Stille wateren. Gaan door een dal van schaduw des doods. En ook het 'mij zal niets ontbreken' komt een paar keer langs. 
In de loop van de dag zoek ik wat levens van moeders uit de bijbel op. Toen werd er ook al geleden. Door moeders. Manhaftige moeders
Eva die door haar man 'die vrouw' genoemd werd. Haar oudste zoon wordt een moordenaar. 
Sara die het grootste gedeelte van haar leven op een kind wacht. En door te weinig geduld haar huiselijke vrede in rook op ziet gaan.
Rebekka, vrouw met een goed huwelijk, zet haar zoon tot leugen aan en moet hem daardoor missen. 
En via Rachel en Batshéba kom ik uit bij Maria. Die op een afstand stond te lijden toen haar Zoon gekruisigd werd.
Dan heb ik Lea en Naomi nog niet eens genoemd.
Zei ik net manhaftige moeders? Misschien toch maar veranderen. Wij mannen zijn de watjes. 



zaterdag 13 mei 2017

Spruitjeslucht in duinlandschap

Wat is dat toch met ons als christenen? Hoe komt het dat we er op één of andere manier telkens in slagen om onszelf in de voet te schieten? Ik kan geen andere groep mensen bedenken, die zo goed is staat is zichzelf in een kwaad daglicht te stellen.
Zijn we zover dat we, de verzuiling voorbij, een paar prachtige maatschappelijke verantwoorde organisaties hebben, gaan we ze langs ons eigen meetlatje leggen. 
We hebben een organisatie: 'Tot Heil des Volks'. Deze doet al meer dan 150 jaar prachtig werk. Grotendeels in Amsterdam. Met de bedoeling om het leven van mensen te verbeteren. Lichamelijk en geestelijk. Verslaafden, prostituees en andere mensen aan de rand van de samenleving worden geholpen.
In de loop van de anderhalve eeuw hebben ze hun beleid wel eens aangepast. Zo zijn ze overgestapt van scholing voor kinderen en vrouwen naar hulp aan werklozen. Daarna de drugsverslaafden en de prostituees. 
Zo'n beetje de meest praktische invulling van onze diaconale opdracht: Helpen daar, waar geen helper is. 
Natuurlijk is hun manier van werken ook wel wat aangepast. Eerst relatie en verbinding, daarna proberen mensen te laten zien dat een leven met Jezus een rijk leven is.  Lijkt me niet zo'n probleem toch?
Uiteindelijk vertrekken er toch ook geen schepen van de VOC meer met specerijen-handelaren op het achterdek en missionarissen in het vooronder?  
Maar wat schetst mijn verbazing de afgelopen week? Blijkbaar voldoet "Tot Heils des Volks' niet helemaal aan de strenge eisen die we elkaar in refo-land zo graag opleggen. 
En natuurlijk zal er best iets zijn. Iets met rook en vuur en zo. Maar moet dat op deze manier? Niet alleen elkaar in de haren vliegen in krant voor eigen parochie. Maar via de social-media de hele wereld over. 

Wat dan? Bij (vermeend) onrecht zwijgen? Nee, dat niet. Er is denk ik al veel te veel en veel te lang over van alles en nog wat gezwegen. Zeker in ons eigen zuiltje.

Maar bij een flagrante schending van de eerbaarheid van zowel de genoemde Stichting als hun huidige directie, verwacht ik toch minimaal een paar zaken die alle onrust en opschudding waard zijn.
Wanneer dit niet het geval is, mogen, wat mij betreft, titels boven ingezonden stukken, die suggereren dat het heil er vandoor is, achterwege blijven. Zolang 'Tot Heil des Volks' niet collaboreert met het kwaad, in welke vorm of gedaante dan ook hebben ze mijn steun.

vrijdag 12 mei 2017

Fantoompijn

Om wat er niet is.
Met mijn hoofd
mijn hart bedwongen,
om wat er mist.
Meestal regeert 
mijn hoofd.
Soms mijn hart.
Of beiden zitten dicht.
Dan trekt mijn huid,
kriebelt en jeukt,
om wat er mist.
En ja, ik weet het.
Alle antwoorden,
als een meerkeuze 
voorbijgekomen.
Allemaal fout
Toch weet en voel ik,
Drie woorden volstaan.
Om achter mijn
fantoompijn
aan te gaan.

dinsdag 2 mei 2017

Vijfentwintigduizend leerlingen in een lokaal


Eén week vakantie. Naast die andere elf weken per jaar die ik al heb. Onderwijs is wel zo ontzettend gaaf!
Dan heb ik het er nog niet eens over dat om vijf over drie 's middags de lessen er op zitten. En mijn leerlingen verdwenen zijn. Vergaderen? Nee hoor, dat doen we tegenwoordig een stuk minder.  We doen het meest digitaal.
Ooit ontbond een school, waar ik voor werkte, van de één op de andere dag, alle (sub)commissies. In het kader van bezuinigingen en werkdrukverlaging. Geen leerling heeft daar wat van gemerkt.
Maar om bij het begin te beginnen. Ik werk in het voortgezet onderwijs. Van mij wordt verwacht dat ik elke week 26 uur les geef. Lesuren van 50 minuten. Dat is iets meer dan 21 uur werken per week. Dit doe ik veertig weken per jaar. 
Geen wonder dat mijn vrienden me nog wel eens iets over vrije tijd in het oor fluisteren. 
Laat ik voorop stellen dat ik een fantastische baan heb. Elke schooldag trek ik
op met jongeren. Jongens en meiden in een leeftijdsfase, die ingewikkeld is.Te oud om alleen als kind gezien te worden en te jong om zelf van alles te mogen beslissen. En wij volwassenen weten verdraaid goed wanneer we welke van deze twee moeten gebruiken. 
Onderdeel uitmaken van, en een klein beetje bij mogen dragen aan, het proces van volwassen worden, is mooi.
Een geweldige baan, die wat uren betreft, echt niet alles van mij vergt. Ik kan er zijn voor mijn gezin. Heb leuke vrijetijdsbestedingen
Vanwaar de discrepantie tussen de beleving van de zwaarte van ons werk en de niet overdreven veel uren makende weken? Want ook al besteden we vier uur per dag aan nakijken, voorbereiden en oudercontacten, dan nog zitten we op jaarbasis onder een veertigurige werkweek. En vanwaar het hoogste percentage ziekteverzuim in het onderwijs? Uitval van mensen? De burn-outs? 
Misschien is het wel helemaal geen uren-verhaal. En ook niet les-gerelateerd. Natuurlijk moet je stof over kunnen brengen en een klas met pubers aan kunnen. Dat is het punt niet. Maar er is ook nog wat anders. 
Tijdens een gemiddelde dag komen er ongeveer honderdvijftig leerlingen mijn lokaal binnen. De meesten begroeten me, verwachten een groet terug. Zowel bij binnenkomen als bij vertrek. Daarnaast komen er meestal voor schooltijd wel een paar leerlingen bij me binnenvallen. Na de les blijft er ook nog wel eens één hangen voor een ditje of datje.
Zo kan het gebeuren dat ik iets voor achten in mijn lokaal ben. Daar de eerste leerling voor mijn deur tref. Na een gesprekje is het tijd voor de eerste les, die wordt opgevolgd door les twee en drie. Hierna  een snelle lunch met mijn leerlingen. Daarna blijven er nog wat hangen.
Snel om tien over elf naar de docentenkamer. Plastic bekertje koffie. Beetje ongein met hartstikke leuke collega's en weer terug naar het lokaal. Waar de eerste leerlingen weer staan. De volgende lessen gaan van start.
De meeste dagen kun je mij om drie uur opvegen. Gewoon eventjes leeg. Zit in mijn dan lege lokaal bij te komen. Laat de dag passeren. De mooie en moeilijke ontmoetingen. Zoveel leerlingen die allemaal gezien willen worden. Gekend willen zijn. Energie die komt en gaat.
Gemiddeld komt er vijfentwintigduizend keer per jaar een leerling mijn lokaal binnen. Die gezien en gekend wil worden. Dit gebeurt in veertig weken. Mooie weken meestal. Die andere gebruik ik om weer op te laden.