Die ik het meest van allen ooit beminde
was niet de rode, zwarte of de blonde,
niet zij die zich naar mijn verlangen schikte,
niet lang of kort, niet rank en niet de ronde.
Al ging mijn hart soms uit naar warm en zacht,
naar eenzaamheid die troostend kon verblinden,
als jager bracht ik telkens weer mijn jacht
van kermis koud en arm naar huis, ontbonden.
Mijn grootste liefde, stom en dwaas genoeg,
is nooit gezegd, niet hardop uitgesproken.
Geen antwoord kwam, omdat ik haar niet vroeg:
zij is al lang in stilte weggekropen.
Hoeveel armen ik ook voelde branden,
benen die mij rond en vurig vingen,
handen door mijn dunner wordend haar,
ogen die aan mijn lippen hangen bleven.
Gezichten die op mijn schouders huilden,
buiken waar mijn hand rust vond en bleef,
al was ik het die telkens weer verruilde
ze had gelijk in alles wat ze zei.
Maar nee, die ik tot in mijn wortels min,
is dood, gekist, onder zand gestopt.
Nu snap ik eindelijk de keus, de zin:
ik ga nu weg, en vreemd genoeg, het klopt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten