(Met dit verhaal de eerste prijs gewonnen van de Schrijfwedstrijd Besiendershuis 500 jaar. Zie ook https://besiendershuis.nl/nieuws/dit-zijn-de-winnende-teksten-van-de-schrijfwedstrijd/)
Jaar 2526
Jaar 2526
De stad was weggegaan zonder afscheid te nemen.
Niet in één nacht, niet met sirenes of rook, maar zoals water verdwijnt uit een kom waar een
barst in zit. Eerst de stemmen, daarna de stenen. De straten werden paden, de paden weer
aarde. Gras vond zijn weg tussen fundamenten, bomen wortelden in wat ooit kelders waren.
Alleen wie goed keek, zag nog dat hier een stad had gelegen.
Lena had de oude kaarten gezien, vergeelde vellen met namen die niemand meer gebruikte.
Nijmegen, stond er. Een woord dat nergens meer naar wees, behalve naar de rivierbocht en het
huis dat was blijven staan.
Het Besiendershuis.
Ze zag het al vanaf het water, toen hun boot de laatste bocht maakte. Het stond hoger dan de
rest, alsof het weigerde te knielen. Een huis dat niet had begrepen dat alles voorbijging. Of dat
het juist wél had begrepen, en daarom was gebleven.
De boot legde aan in de uiterwaarden, waar het al wekenlang vol stond met tenten, hutten van
wilgentenen, doeken gespannen over drijfhout. Mensen uit alle windstreken waren gekomen.
Niet alleen voor de vierdaagse, maar ook voor het wachten. Voor het samen zijn vóór het lopen.
De rivier was de weg geworden. Elektriciteit kende Lena alleen uit verhalen, net als
hoogspanningsmasten en licht dat zonder vuur brandde. Hier draaide alles op zon en wind, op
handen en afspraken, op wie wat kon en wilde geven.
Lume sprong als eerste uit de boot. Vijftien en al langer dan zij. Zijn lichaam was smal, maar
gespannen, alsof hij elk moment kon uitveren. Zijn haar droeg hij kort, niet uit mode maar omdat
het praktischer was onderweg. Hij keek niet naar het huis. Nog niet. Hij keek naar de mensen.
‘Is dit het?’ vroeg hij.
‘Dit is het,’ zei Lena.
Ze had hem verteld over het geitenpaadje. Over de tocht die hij volgend jaar zou lopen, alleen,
zonder haar. Een route die niet op kaarten stond, die zich alleen liet vinden door wie durfde te
verdwalen. Nu was dit een oefening. De vierdaagse. Vier dagen lopen, samen met anderen, maar
toch ook alleen met je voeten.
Ze hadden maanden gereisd vanuit Slovenië. Over water waar het kon, over land waar het
moest. Soms hadden ze meegelopen met karavanen, soms alleen. In de dorpen waar ze
kwamen, werd niet gevraagd waar ze vandaan kwamen, maar wat ze konden delen. Lena
vertelde verhalen. Lume luisterde en onthield.
Het Besiendershuis bleek geen huis, maar een gebaar.
Binnen was het koel. De dikke muren hielden de hitte buiten en de tijd binnen. Er waren geen
deuren meer die sloten, alleen doeken die men opzij schoof. Lange tafels stonden vol manden:
gedroogde vruchten, brood, zaden, stukken zeep, geweven doeken, messen met houten heften.
Alles wat de gemeenschappen hadden meegebracht. Alles wat gedeeld mocht worden.
Waar vroeger tol werd geheven, werd nu uitgedeeld.
Lena legde haar hand op het hout van een tafel. Ze voelde de nerven, de krassen van eeuwen. Dit
huis had oorlogen gezien, overstromingen, branden. Had duistere verhalen gedragen,
fluisteringen over bloed en schuld. Nu stond het hier, leeg van bezit, vol van doorgeven.
‘Je mag nemen wat je nodig hebt,’ zei een vrouw met grijs haar dat in een losse knoop zat. ‘En
laten wat je kunt missen.’
Lume keek naar zijn moeder. Zij knikte.
Hij nam een mes. Niet groot, niet nieuw, maar scherp genoeg. Lena nam niets. Ze had geleerd
dat dragen ook een last kon zijn.
’s Avonds zaten ze bij het vuur in de uiterwaarden. De rivier ademde langzaam, alsof ze zelf ook
moe was van al dat komen en gaan. Mensen vertelden waar ze vandaan kwamen. IJsland. De
kust van Afrika. De heuvels die ooit Frankrijk hadden geheten.
Lume luisterde. Hij zei weinig.
‘Morgen beginnen we,’ zei Lena.
‘Ik weet het.’
‘Je hoeft niet.’
Hij keek haar aan. Even maar. ‘Ik wil.’
De eerste dag liep het pad langs wat ooit straten waren geweest. Oude lantaarnpalen lagen half
in de grond, begroeid met mos. Kinderen speelden tussen stenen die geen functie meer hadden.
Het lopen was licht en voelde bijna feestelijk. Mensen zongen , of zwegen samen.
De tweede dag werd zwaarder. De route ging over oude dijken, langs wielen en kolken waar het
water ooit had gewonnen. De zon brandde. Lume’s adem werd korter.
‘Rust,’ zei Lena.
‘Nog even.’
Ze liet hem. Wist dat hij zijn grenzen moest leren kennen. Niet om ze te overschrijden, maar om
ze te voelen.
De derde dag liep het pad dichter langs de rivier. De grond was drassig. Schoenen zogen zich
vast. Hier werd minder gepraat. Hier hoorde je het lichaam werken.
Lume viel. Niet hard, maar genoeg om te blijven zitten.
‘Het geitenpaadje is erger,’ zei hij.
Lena ging naast hem zitten. ‘Misschien.’
‘Waarom doen we dit eigenlijk?’
Ze dacht aan de steden die waren verdwenen omdat niemand meer wist wie waarvoor
verantwoordelijk was. Aan het licht dat uitging toen niemand het nog wilde onderhouden. Aan
gemeenschappen die hadden geleerd dat samen niet vanzelf ging.
‘Omdat lopen je herinnert dat je ergens bent,’ zei ze. ‘En dat je daar ook weer weggaat.’
De vierde dag kwamen ze terug bij de rivierbocht. Het Besiendershuis stond er nog steeds,
onverstoorbaar. Mensen verzamelden zich. Er werd gegeten, gedronken, gedeeld. Geen finish,
geen prijzen. Alleen aankomst.
Lume stond stil en keek naar het huis.
‘Denk je dat het weet dat het er nog is?’ vroeg hij.
Lena glimlachte. ‘Misschien niet. Misschien is dat juist waarom.’
Die nacht sliepen ze in de uiterwaarden. De wind speelde met het doek van hun tent. Lume sliep
onrustig. Droomde misschien al van het geitenpaadje.
Lena lag wakker en luisterde. Naar de rivier. Naar de adem van haar zoon. Naar een wereld die
kleiner was geworden en daardoor misschien eindelijk te dragen.
In het jaar 2526 was niet alles beter. Maar sommige dingen waren gebleven.
Een huis, een paadje en een jongen die leerde lopen zonder zeker te weten waarheen.
Met een moeder die wist dat loslaten ook een vorm van geven was.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten