woensdag 30 september 2026

Blijf af!

 Twee dagen Parijs en dan maandagochtend weer mijn EPV in. De zon komt prachtig op boven de stad. Ik bezorg in flatgebouwen, loop over gaanderijen en door kelders waar de nieuwe dag voorlopig nog niet is doorgedrongen.
Bij een voordeur tref ik een compleet huishouden in bedrijf. Een mevrouw staat met haar telefoon aan haar oor. Klantenservice, begrijp ik. Ergens is iets misgegaan en degene aan de andere kant krijgt dat uitgelegd. Ze probeert beleefd te blijven.
‘Ja, dat begrijp ik. Maar dat is dus precies wat ik bedoel.’
Ondertussen moeten drie kinderen naar school. Jassen aan, schooltassen om, schoudertassen mee. Er wordt iets gezocht wat blijkbaar vijf minuten geleden nog gewoon ergens lag. Ik sta met de boodschappen voor de deur.
‘Nee, daar blijven!’
Ik blijf staan.
‘Sorry hoor,’ zegt ze tegen mij.
‘Geeft niks,’ mompel ik terug, terwijl ik bedenk dat iedereen wel eens op maandagochtend kortaf is.
‘Nee, niet doen!’
Ik doe niets.
Aan de telefoon legt ze opnieuw uit dat ze heus begrijpt dat de mevrouw van de klantenservice er persoonlijk niets aan kan doen, maar dat ze nu toch echt graag wil weten hoe dit opgelost gaat worden.
‘Tas mee!’ Een kind pakt een tas.
‘Dank u wel.’ Dat blijkt voor mij. Ik zet mijn handen vol tassen op de grond in de gang.
‘Afblijven!’
Ik trek mijn handen terug. Dan verschijnt er vanuit de woonkamer een kleine poedel. Of iets wat ooit als een poedel is begonnen. Het beest kijkt naar mij, naar de boodschappen en besluit dat die laatste het interessantst zijn.
‘Nee! Weg daar!’
Eindelijk begrijp ik het systeem. De vermaningen zijn voor de hond. De korte bevelen voor de kinderen. De beleefde wanhoop is voor de klantenservice. En tussendoor bewaart ze ook nog een paar keurige zinnen voor mij.
Ik wens haar een fijne dag. ‘Dank u wel, u ook.’ Achter me hoor ik, nog voor de deur dichtvalt:
‘Nee! Ik zei toch dat je daar vanaf moest blijven!’ Ik loop verder over de gaanderij. De zon staat inmiddels boven de flats.
Parijs is weer ver weg.

Waar is de boter?

Sinds kort ben ik logeeradres van Vrienden op de Fiets. Er hebben inmiddels al wat fietsers bij me overnacht. De fietsen gaan in de gang, meestal meteen aan de lader, de gasten een paar trappen hoger.

Langzaam krijg ik er routine in. Denk ik. De eerste keer liep ik ’s ochtends sluipend op kousenvoeten door mijn eigen huis. Want hoe laat worden Fietsvrienden eigenlijk wakker? Tegen achten waag ik me aan de trap naar de bovenste verdieping. Eerst alleen mijn hoofd in het trappengat. Keel schrapen. Hoe doe je zoiets? Ga je roepen? Of zeg je eerst heel beleefd iets zachts en herhaal je dat steeds iets harder, totdat er iemand reageert?

Er komt leven van boven. Tijd voor het ontbijt.
Even later loop ik met een dienblad de trap op. Twee eitjes, vier sneetjes bruinbrood, twee afgebakken bolletjes en twee beschuiten. Kaas, hagelslag, melk én puur, en jam. Niet de pot natuurlijk. Netjes in een bakje. Plus twee glazen verse jus d’orange.
Bestek lag er gisteren al. Net als het koffieapparaat en de waterkoker. Kopjes, glazen, bordjes. Alles heb ik.
Ik daal tevreden de trap weer af.
Een kwartiertje later klinkt het van boven.
‘Arjan?’
‘Ja?’
‘Waar is de boter?’
Natuurlijk.
Die hebben we al jaren niet in huis.
Ik loop naar boven en bied mijn excuses aan voor het ontbreken van de boter. Meneer kijkt naar de ontbijttafel.
‘Mevrouw wilde hagelslag,’ mompelt hij.
Even is het stil.
‘Maar ja. Zonder boter blijft die natuurlijk niet plakken.’
Mijn eerste ontbijt als logeeradres.
Bijna alles geregeld

donderdag 13 augustus 2026

Bankje



Vandaag zit ik op een bankje onder de zilveresdoorn. Hij laat veel te vroeg zijn bladeren vallen.
De kastanje boven je.
Waken noemen we dat,
omdat staan
zo weinig betekent.
Straks de kinderen
een steen uitzoeken.
Jouw naam erin,
wat letters en cijfers.
Alsof dat genoeg is
voor een heel leven.
Andere jaren,
andere bankjes.
Andalusie, Toscane
of aan de Zwarte Zee.
Zon op onze kop,
uitzicht voor ons
en altijd nog ergens
om naartoe te gaan.
Nu kijk ik naar jouw graf
Jij onder jouw boom,
Ik onder de mijne.
En tussen ons
valt langzaam
de zomer uit de bomen.

Onderweg

 Vandaag rijd ik weer van deur naar deur. Boodschappen uit het krat pakken. Of hele kratten op het steekkarretje. Aanbellen, glimlachen, soms een paar woorden en weer verder.

Het is prettig werk. Lekker overzichtelijk en niemand vraagt waar ik over een jaar ben. Alleen of ik alles op de deurmat wil zetten. Of op het aanrecht in de keuken.
Soms is er ineens iets moois langs de route. Een kerk die al eeuwen lijkt te weten dat mensen komen en soms ook weer afscheid nemen. Gemetselde stenen waar jaren van lief en leed in zijn opgeslagen.
Even later verdwijn ik tussen honderden appartementen en evenzoveel levens. Mensen zitten zwijgend achter schermen, koken eten en maken ruzie. Of ze lachen en hebben plezier.
Ik zet hun boodschappen neer en vertrek weer. Dat past me op dit moment.
Aan het einde van de dag wordt het landschap leger. De zon zakt en ik ben moe. Niet alleen van het tillen en het rijden.
Er zijn dagen waarop ik graag vooruitkijk en bijna geloof dat ik opnieuw kan beginnen. En er zijn dagen waarop dat niet lukt en ik vooral achteromkijk.
Vandaag zit daar tussenin.
Ik stuur mijn wagentje door het laatste licht. Achter mij ligt de dag. Daarachter nog meer. Voor me ligt de weg. Voor nu is dat genoeg.

Picniccen in Rotterdam

Vanmiddag val ik in voor een collega. Niet in Gouda, maar vanuit de Picnic-hub in de Spaanse Polder. Mijn route slingert door Katendrecht, over de Erasmusbrug en de binnenstad in. Langs het Fotomuseum, Hotel New York en de SS Rotterdam.

Bijna overal ligt wel een herinnering. Sommige nog vers, andere al jaren oud. Grappig hoe een stad dat bewaart, zonder dat je het haar gevraagd hebt.
Toch ben ik vandaag geen bezoeker. Ook geen inwoner. Eerder een toerist met een Picnicbusje. Ik kom op de mooiste plekken, hoef nergens in de rij te staan, betaal geen parkeergeld en blijf nooit lang. Boodschappen afgeven, een glimlach en weer door.
Misschien is dat wel de mooiste manier van reizen. Niet om ergens te blijven, maar om steeds even onderdeel te zijn van een plek. Lang genoeg om haar te herkennen, te kort om eraan vast te zitten.
En eerlijk gezegd, die manier van onderweg zijn, past me eigenlijk best.

Avond

De zon zakt, trekt zich terug uit alles wat was.
Water slikt
het vallend licht.
De laatste boodschappen
staan in een keuken
die ik niet ken.
Ik rijd naar huis.
Stemmen sterven,
andere klinken luider.
Riet weet alles
en ik heb geen idee.
De einder wenkt en lokt
en spreekt van dromen
gewild en ongewild.
Deze avond
komt nooit meer.

Twee verhalen

 Afgelopen weekend stond ik iets na zeven uur 's morgens bij mijn eerste Picnic-klant. Ik zei dat ik bewondering had voor mensen die op zaterdag zo vroeg al wakker waren. Hij glimlachte flauwtjes. Aan allebei zijn benen hing een peuter. Een derde kind stond iets verderop in de gang.
Zonder iets te zeggen keek hij me even aan, knikte bijna onmerkbaar naar de kinderen en verzuchtte: 'Kinderen, hè.' Ik lachte en liep terug naar mijn wagentje.
Onderweg bedacht ik dat we allebei gelijk hadden. Ik zag iemand die al vroeg uit de veren was. Hij zag vooral een korte onderbreking in een nacht die waarschijnlijk veel te kort was geweest.
Twee verhalen. Dezelfde werkelijkheid. Die gedachte bleef bij me. Ook mijn berichten op deze plek worden verschillend gelezen. Sommigen vinden er hoop of herkenning in. Anderen ervaren er juist pijn bij. Dat begrijp ik. Mijn woorden landen niet in een leegte.
Ze komen ook terecht bij mensen die door mijn handelen zijn geraakt. Voor hen kan een bericht over een werkdag, een wandeling of een klein lichtpunt voelen alsof ik alweer verder ben, terwijl zij nog midden in de gevolgen leven.
Mijn bedoeling is niet om medelijden te vragen of mijn verantwoordelijkheid kleiner te maken. Schrijven helpt mij juist om eerlijk te blijven. Om schaamte niet opnieuw de regie te geven en mezelf eraan te blijven herinneren dat herstel meer is dan niet meer gokken.
Maar wat ik hier schrijf, is alleen mijn verhaal. Het is het verhaal van iemand die probeert op te staan. Het is niet het verhaal van de mensen die ik heb beschadigd. Dat verhaal bestaat ook. Het is pijnlijk, ingrijpend en verdient minstens zoveel respect. Daarom voer ik die gesprekken niet hier, maar persoonlijk. Niet omdat ze minder belangrijk zijn, maar juist omdat ze belangrijker zijn dan een bericht op sociale media ooit kan zijn.
Ik blijf schrijven. Niet omdat alles weer goed is. Ook niet omdat mijn verhaal centraal zou moeten staan. Maar omdat zwijgen voor mij geen weg naar herstel is.
En tegelijk hoop ik dat mijn woorden niet verhullen dat herstel pas werkelijk betekenis krijgt als het ook zichtbaar wordt in de verantwoordelijkheid die ik blijf nemen voor wat achter mij ligt.

Kapotte klok

Mijn vader was boer. En daarnaast handelde hij in antiek. Kuifkasten en kabinetten. En klokken.
Soms hing de muur er vol mee. Niet alleen met klokken die liepen, maar ook met exemplaren die stilstonden. Hij kocht ze juist graag als ze kapot waren. Eerst gingen ze naar een oude instrumentenmaker. Daarna begonnen ze weer te tikken.
Deze week moest ik aan hem denken. Ik bezorgde boodschappen in een dorpje en keek even omhoog naar de kerktoren. De klok stond stil.
Ooit hielp zo'n klok een hele gemeenschap. Iedereen wist hoe laat het was. Wanneer er gewerkt werd, wanneer de school begon en wanneer de kerk uitging. Nu vertelde hij niets meer over de tijd.
Of misschien juist wel.
Een stilstaande klok vertelt niet meer hoe laat het is. Hij vertelt wanneer de tijd ophield. Hij bewaart één enkel moment en weigert daar van weg te gaan.
Tegelijk heeft ook die kapotte klok nog steeds twee keer per dag gelijk.

vrijdag 24 juli 2026

Verschuiven

Deze week heb ik de bank en mijn bureau verzet. Niet een stukje. Gewoon helemaal. Van de ene kant van de kamer naar de andere. Jarenlang stonden ze op dezelfde plek.

Al weken liep ik om die gedachte heen dat ik ze gewoon kon verzetten. Het voelde als verraad. Dat ik door de bank te verplaatsen iets uitwiste. En door mijn bureau te verzetten afscheid nam van alles wat zich daar had afgespeeld. Dat de kamer haar geschiedenis verloor zodra ik haar anders inrichtte.
Toch deed ik het. Niet omdat ik eraan toe was. Maar omdat het onmogelijk werd om alles hetzelfde te laten. Ergens diep vanbinnen wist ik dat vasthouden en bewaren niet hetzelfde zijn. Dat verlies en verandering geen verraad hoeven te zijn.
Naast bureau en bank heeft inmiddels bijna alles een andere plek gekregen. Als ik nu de kamer binnenkom, heb ik een compleet ander uitzicht. Tegelijk blijven de kleuren en valt het licht op de vertrouwde manier naar binnen. En bij schemer lijkt alleen de schaduw wat verplaatst.

Verbloemen


Ooit schaamde de eerste mens zich en verborg zich tussen de bomen. God zocht hem op en maakte kleding van bladeren. Geen grote woorden, geen oplossingen. Gewoon iets van bedekking. Iets zachts tussen mens en schaamte.
Zo voelden de bloemen deze week.
Ik kwam ze overal tegen. Langs wegen waar ik reed, op graven en in bos en bermen die zich niets aantrokken van nieuwsberichten of meningen van mensen. Er werd mij zelfs een bos gebracht.
Alsof de schepping soms begrijpt wat mensen niet altijd weten te zeggen.
Dat er, zelfs in weken waarin schaamte en verdriet dichtbij zijn, iets of iemand blijft zoeken.
Deze week waren bloemen even mijn vijgenbladeren


dinsdag 14 juli 2026

Zeventig

Afgelopen weekend nam ik de trein naar een stadje verderop. Hardloopschoenen aan en waterflesje mee. Het plan was eenvoudig: terug naar huis rennen. Een duurlooptraining voor de marathon. Op de terugweg door de weilanden ontmoette mij een zwanengezin. Een ouderpaar gevolgd door tien jongen. Ik telde ze twee keer. Tien. Een compleet gezin. In een wereld waarin zoveel verloren gaat, verbaasde me dat. Ik rende langzamer en bleef kijken.

Later zag ik op mijn app ik dat het mijn zeventigste dag in herstel was. Zeventig dagen zonder gokken, zonder verdwijnen. De zwanen liepen verder. En ik deed hetzelfde.

Uit met 1945

 Een bijzonder nummer. Het jaar van de bevrijding. Misschien daarom dat ik haar graag rijd.
Buiten is het warm. Met open raampjes waardoor de wind mijn huid aanraakt, luister ik naar Hold on to Let Go van Danny Vera.
Vanmorgen liep ik hard in m'n eentje en daarna stond ik met m'n dochter bij het graf dat vandaag precies een maand oud is.
Nu rijd ik met 1945 over dijken en bruggen, langs stilstaand en stromend water. We brengen mensen eten en ontmoeten ondertussen een stukje van hun leven. Een groet, een glimlach en soms een kort gesprekje.
Ik had een paar maanden geleden niet gedacht dat een klein elektrisch wagentje me iets van vrijheid zou kunnen geven. Toch doet ze dat.
Niet de grote vrijheid van weleer. Geen vlagvertoon of vuurwerk. Maar gewoon dit. Een route, een liedje en beginnende avondlucht boven de polder.
En het besef dat ook een
mens zelf weer een beetje bevrijd kan raken.

Allerbeste tijd

 Vier weken geleden klonk bij het graf Still van Hillsong; 'When oceans rise and thunders roar.' De avond ervoor, tijdens de afscheidsdienst, zong de cantorij Bach; 'Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit.'
De oceanen bewegen nog wel een tijdje en het onweer is niet over. Maar meer dan dat blijf ik bezig met die allerbeste tijd. Ik weet nog steeds niet goed wat ik daarmee moet. Er zijn woorden die je gemakkelijk zingt en er is muziek waar je fijn naar luistert. Tegelijk dringt bij mij de inhoud en de betekenis van de tekst zich snel op en kan ik er lang over na blijven denken.
Gisteren bracht ik boodschappen rond voor Picnic. Onderweg zag ik mensen in hun tuin zitten, op balkons genieten van de avond of binnen televisie kijken. Ik kwam op de twaalfde verdieping van een flat waar het uitzicht eindeloos leek. Ik reed langs brede rivieren en door diepe polders. Ik belandde aan het einde van doodlopende weggetjes en bij borden 'Werk in uitvoering' waar je toch nog net tussendoor kon. Trappenhuizen op en dijkweggetjes af.
Eigenlijk bracht ik alleen maar eten.
En toch voelde het alsof ik even door een klein stukje Nederland heen mocht kijken en wat goeds deed. Aan het eind van een drukke avond zat ik een moment op de dijk. De warmte van de dag hing nog in de lucht. Beneden stroomde de rivier onverstoorbaar verder.
Misschien is dat wel het enige wat ik deze dag begreep van Gottes Zeit.
Niet dat dit de allerbeste tijd is. Dat kan ik niet zeggen.
Maar wel dat er, dwars door rijzende oceanen en bulderende donder heen, ook gewone zomeravonden bestaan. Avonden waarop een rivier blijft stromen en je, heel even, met haar kunt uitademen.