Gisteren liep ik door het bos. Lente in al haar frisheid. Geel en pril groen, lucht die zich zacht opent. Ineens is daar die helikopter, wapens aan zij- en onderkant. Wieken roteren met een boel kabaal gierend in het rond. Alsof het ding zich vergist heeft in het seizoen.
En toch bloeit de kers en dwarrelen twee geliefden rond elkaar. Iets verderop dartelt er een kind tussen de bomen, zonder weet van Rusland, NAVO of nucleair.
Hoe houd je die twee naast elkaar? De lente en de oorlog? Het zingen en het schieten? Misschien moet je het niet willen begrijpen. Misschien moet je het dragen.
Vandaag zie ik een oude vrouw in een volkstuin. Ze plant doperwten. Ze buigt zich voorover, de handen in aarde, haar gezicht in de zon. Ze glimlacht. Alsof ze vertrouwt op iets groters. Iets wat geen minister kan afkondigen. Geen generaal kan plannen.
Misschien is dat het: blijven zaaien. Tegen de dreiging in. Tegen de tijdgeest in. Geloven dat wortels dieper reiken dan raketten. Dat bloesem zich niet laat intimideren.
De lente liegt niet. Ze komt. Ongevraagd, onstuitbaar. In een wereld die gromt, gloeit ze zacht.
En de merel? Die zingt gewoon door.
Godzijdank.