donderdag 1 januari 2026

Winterbloesem

De laatste kerkdienst van het jaar voelde als een naschrift. Alsof er, heel zacht, nog één zin werd toegevoegd onderaan de bladzijde.
De kerk was bijna leeg. Van de tachtig zitplaatsen waren er een tiental stoelen bezet.
Het licht was streng, de ruimte kaal. De kansel met zijn alfa en omega riep herinneringen op aan vroeger. Aan zware diensten met zware stemmen en zware waarheden. Ik verlang daar niet naar terug ook al heeft de tijd zijn eigen wonden geheeld.

Maar hier was het goed. We zongen alleen psalmen. Geen variatie, geen franje. Hele noten, lange adem. Het meezingen was verrassend lekker. Je kon niet vluchten, je moest blijven staan in de woorden. Over hoge vertrekken, grote machten en niet wankelen. Eeuwen als uren en verborgen worden in een tent.

De kerkenraad kwam binnen: een dominee en een ouderling. Klassiek zwart, ernstig en stemmig. Het beeld klopte. Toen de preek over Paulus’ brief aan de Filippenzen. Over vreugde die niet goedkoop is, maar ontstaat midden in het leven zoals het is. 

Er viel een citaat, bijna terloops, van Henk Binnendijk:
‘Je zult in de hemel zijn wat God hier al van je heeft kunnen maken.’ 

Toen volgde de uitleg. Dat sterren die aan en in de hemel schitteren allemaal verschillende groottes hebben. Dat onze manier van leven daar invloed op heeft. Er is niks mis met een kleine ster, maar je hoeft er niet bewust voor te kiezen. 
Ineens viel alles samen. De lege kerk met strenge kansel en het orgel dat verleden en heden verbond.

De psalmen op hele noten en de lichte preek met zware woorden.

Het bestond niet los van elkaar. Het was er allemaal. Zoals een jaar dat eindigt ook nooit eenduidig is. Er zit verlies in en verwachting. Weemoed en een zachte glimlach. Geen schone lei, maar een bladzijde die al beschreven is.

Ik liep naar buiten met dat gevoel. Niet opgelucht en ook niet bedrukt. Wel gedragen. Misschien is dat genoeg voor een nieuw jaar.