dinsdag 21 april 2020

Heidehonger

In alle vroegte ben ik voor dag en dauw al opgestaan. Het enige dat ik voel is de honger van mijn huid. En die eronder.
Ik moet echt naar haar toe.
Mijn auto geparkeerd naast een bord met 'Verboden toegang, op last van de burgemeester tot nader order gesloten'. Ik neem aan dat ik er lopend nog wel in mag. Hoewel ik de laatste dagen ook zie dat er hele stukken bos, duin en strand afgesloten worden.
Ooit vestigden we onze sanatoria in de natuur. Heel lang dachten we dat een rustgevend landschap en schone lucht ons konden helen. Nu heerst er het gevaar dat we onze auto's te dicht naast elkaar parkeren. We kunnen hier niet zoals bij de super- en bouwmarkt een winkelwagentje meenemen waarmee we onze naasten op een afstand houden.
Ik loop om het hek heen en verdwijn in het bos. De eerste honderd meter raap ik her en der stukken roodwit lint op. Ik heb niet het idee dat wat hier leeft er iets mee kan. Gelijk met het verdwijnen van het plastic komt de natuur te voorschijn. De hele dag vermaak ik me opperbest tussen boom en berm.
Nu aan het einde van de dag beweeg ik me voort. Het ene slingerpaadje heb ik na het andere gevolgd. Het dennenbos heeft plaats gemaakt voor een beukenbos dat ruimte ademt. De lente die hier niet het gevecht van de winter won maar er uit herboren werd. De eerste groene waas vespreidt zich door dit immens gewelf. Dit is het moment waar de dikke takken nog geen blad bezitten maar alleen het lover uitschiet aan wat wilde twijgjes. Die op hun beurt weer uit de sta
m ontsproten zijn.
Bij het stilstaan je voeten wortelen in bladbedekte grond. Zo volledig dat het reebokje iets verderop, na even de kop omhoog, weer rustig verder graast van de rijk bemoste aarde.
Na honderd jaar vervolg ik mijn pad om uit te komen waar ik een eeuw geleden vertrok.
De heide die meer bruin dan paars zich nu laat zien, verheft zich in heuvels die de horizon vormen.
Ik volg een hertenspoor waarmee ik kronkelend de eerste top bestijg.
Boven aangekomen weet ik de kleine del van jaren her. Ik spreid mijn jas en ook mijzelf uit in horizontale positie. Zodat de wind nog hooguit streelt in plaats van snijdt.
Westwaarts zie ik de zon vlammend geelrood ondergaan. Waar ik anders door deze schoonheid zou zijn gegrepen, mijmer ik mij nu door tijden heen. Herinner hier wat lief was en leed op afstand zette.
Beleef de zachtheid van wat rond en aaibaar voelde. Een ademteug waarin een leven niet alleen geperst maar ook langzaam uitgeademd werd. De vingertop die aarzelend zacht mijn rug beroerde en gelijk zo stevig dat ik de afdruk nog kan voelen. De woorden die nimmer uitgesproken toch hoorbaar binnenkwamen.

Om dan verdwaasd in de stijve avondkoude te bemerken dat het nacht geworden is. De zon is onder, de wind steekt op en de schaduwen zijn opgelost.
Ik sta op, bedenk dat het tijd is om terug te keren. Naar stad en huis waar ieder zich zwijgend op afstand voortbeweegt. Waar we, elkaar ontwijkend, straten oversteken om eigen huizen binnen te gaan. Om achter ondoordringbare muren weg te kwijnen voor schermen die ons doen geloven dat het gras bij de buren echt nog groener of juist doder is.
Aarzelend kniel ik neer en spreid mij onder de jas en op de heide. Om eindeloos te dromen over niet alleen de langvervlogen tijden, maar meer nog over de ochtend die hier altijd weer in 't oosten gloor
t.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten